6.16 Cassatie

 Ons hoogste rechtscollege, onnavolgbare wartaal in vonnis.

109.  Ook cassatie heeft niets opgeleverd en in hoofdzaak geleid tot een herhaling van zetten. o. a. was gesteld dat er niets in het proces verbaal stond, dus niet expliciet of Groot wel of niet de vordering had erkend, en dat daarom het oorspronkelijke standpunt, zoals bv. in de brief van 13-05-04 verwoord diende te gelden. Dit leidde in r.o. 2.11 tot een wat wonderlijke zinsnede. Groot heeft meerdere juristen verzocht dit nader uit te leggen, maar heeft geen eensluidende en navolgbare uitleg verkregen. Groot citeert navolgend die zin;  “Verder vindt geen steun in het recht de stelling aan het begin van 14.2 van het verzoekschrift dat, wanneer een van een zitting opgemaakt proces-verbaal niets vermeld omtrent het standpunt van een betrokken (proces) partij, het rechtens ervoor moet worden gehouden dat ervan moet worden uitgegaan dat deze partij zijn oorspronkelijke standpunt (onverkort) heeft gehandhaafd”.

110.  Nogmaals, dit kan Groot dus ook niet uitleggen, het zou normale logica zijn dat, als nergens uit blijkt dat iets anders is, dat men er van uit mag gaan dat dan het oorspronkelijke standpunt nog geld. Logica dan ook dat rechters daar altijd ook van uitgaan zoals overigens iedereen. Als er in een proces verbaal niets over iets in staat, dat heeft het daar ook niets mee van doen. Anders kan je iedere fantasie er op loslaten. Er staan niets over de kleur van de hemel in een proces verbaal  maar daarom is de hemel niet zomaar geel geworden.

111.  De bedoeling van verbetering was om de verbeterde versie in hoger beroep in te brengen om tot een ander oordeel te komen. Nu dit niet slaagde is het wel duidelijk in het hoger beroep bij de grieven verwoord en in gebracht. Hier blijkt dat de poging om het proces verbaal gewijzigd te krijgen slechts in het nadeel van Groot heeft gewerkt. Wel wordt de brief van 13-05-2004 benoemd en besproken. Hier niets meer van “niet tot het dossier behoren”, en dat in de brief de vordering duidelijk wordt betwist. Met stelt dan evenwel dat men onder die omstandigheden zou verwachten dat de vordering door Groot ter vergadering zou zijn betwist. Groot heeft altijd gesteld dat hij dit ook heeft gedaan maar, nu de andere partij anders beweert of suggereert (Sweens zegt dat hij niet meer weet wat Groot had gezegd) wordt hier dus klip en klaar gesteld dat Groot een leugenaar is (al eerder gesteld).

112.   In r.o.  3.6  wordt als navolgend gesteld; “Nu Groot die mogelijkheid van betwisting onbenut heeft gelaten kan ook naar s’Hofs oordeel worden aangenomen dat de vordering in de rechtsverhouding tussen Groot c.s. en Bleeker Smit is komen vast te staan”.  Hierbij dus overduidelijk het voorgaande bevestigd, Groot liegt. Deze drie raadsleden zijn er niet bij geweest en hebben geen snipper bewijs dat die bewering juist is. Het kan ook niet anders dan zo zijn, dat ze het wel zeer vreemd zouden behoren te vinden dat Groot zomaar een ander standpunt heeft, een dag later, wat nergens staat, dus zonder enige grondslag klakkeloos aan wordt genomen, en nog vreemder dat Groot tijdens de vergadering niet naar zijn standpunt zou zijn gevraagd. Men mag toch aannemen dat hij daar kwam om zijn standpunt weer te geven, en dat de meest essentiele vraag zou zijn gesteld.

113.  In r.o 3.7 gaat men daarop verder, deze gehele alinea geeft Groot weer; “Verder faalt de derde grief eveneens voor zover zij aldus moet worden begrepen dat in het proces verbaal ten onrechte niet is vermeld dat Groot de vordering van Bleeker Smit weldegelijk heeft betwist. Behoudende rechtstreekse en zwaarwegende aanwijzingen voor het tegendeel moet een dergelijk proces verbaal als gezaghebbende bron worden beschouwd, hetgeen in dit geval des te meer klemt omdat niet blijkt dat Groot c.s. met succes gebruik heeft gemaakt van de in art. 137 Fw opengestelde mogelijkheid verbetering van het proces verbaal te verzoeken”.

114.  Zoals gesteld, Groot zocht recht in de procedure tot verbetering, maar kreeg onrecht, waar het opvolgende onrecht dan weer op wordt gebaseerd. Dan zouden er geen rechtstreekse en zwaarwegende aanwijzingen voor zijn, dat er iets mis is, met de gezaghebbende bron.  Het gehele voorgaande geschrift en betoog heeft juist aangegeven dat er echt zo ongeveer alles mee mis is wat te bedenken is, en lijkt alles er op dat men dit wel doorzag, maar niet wilde doorzien. Ook in cassatie komt men tot voornoemde aannames en redeneringen. Het is ook gemakkelijk om er maar van uit te gaan dat de verbeteringsprocedure wel goed en zorgvuldig is gegaan, zonder de rammelende en ongemotiveerde uitspraken ook zelf te beoordelen.

Recta nos malum