6.15 Verbetering proces verbaal

Verbetering van proces verbaal in hoger beroep, onnavolgbaar vonnis.

103.  Toch kon het allemaal nog wel gekker, er is hoger beroep ingesteld wat 27 april 2010 al werd behandeld. Van die zitting is proces verbaal opgemaakt, en in het bezit van Groot. In dit proces verbaal staat dat Groot ter zitting stelde dat er volgens hem geen griffier bij aanwezig was. Nadat mr. van Meel (voornoemd) daar ca. 4 jaar later kennis van nam verwonderde die zich zeer. Het had immers in de rede gelegen dat de (drie) rechter / raadsheren (waren 3 ca. 60+ dames)  dit hadden opgepakt en er op doorgevraagd, en ook de daar aanwezige Sweens er op hebben kunnen bevragen. Mr. van Meel vond dit volstrekt onbegrijpelijk. Waren deze raadsheervrouwen bevooroordeeld, of deden ze hun middagdutje?.

104.   De curator deed ook daar zijn nummertje. Ook daar waren ze aardiger tegen Sweens dan tegen Groot, in het proces verbaal van die vergadering lezen we dat het geheugen van Sweens tegen Altsheimer aan zit, Sweens herinnerde zich niet meer wat Groot had gezegd, de brief van 13 mei 2004 was naar zijn weten niet behandeld, Groot citeert wat als gezegd door Sweens is opgetekend in het proces verbaal van die zitting; “Ik zal de brief van 13 mei 2004 wel bij mij gehad hebben. Ik had hem van Groot gekregen. Voor zover ik weet, heb ik de brief niet aan de rechter commissaris overlegd”  Opmerkelijk was dan dat het vrouwelijke 60 + drietal geen vragen had aan Sweens, terwijl er tientallen vragen denkbaar, van belang en aan de orde waren, met als eerste, “Waarom hij (zoals hij daar beweerde) zo een belangrijke brief niet met de R.C. had gedeeld”. daarmee had hij immers zijn verantwoording verzaakt, en zijn taak onzorgvuldig vervuld.

105.  Ook deze dames hadden er kennelijk geen zin in en hebben zich er zeer gemakkelijk en ongemotiveerd vanaf gemaakt. het vreemde is dat Groot het gebeurde in Alkmaar kon wijten aan de daar geldende belangenverstrengeling, maar Groot meende zijn hoop en verwachting op een betere behandeling in hoger beroep te stellen, nu verstrengeling in ieder geval in Alkmaar wel, maar bij het hof niet direct zichtbaar was, maar werd ook daar zeer teleurgesteld.

106.  Het hof ziet de brief wel als bij de stukken behorend, en  stellen ook dat Groot daarin de vordering betwist, maar er is hier al iets zeer bijzonders. Bij de zitting in Alkmaar waren de gespreksnotities van de griffier opgevraagd, maar die werden als zoekgeraakt opgegeven. Dat was ook zo ongeveer het moment dat Groot zich herinnerde dat er in het geheel geen griffier aanwezig was geweest. Dat er geen notities waren was niet vreemd, een niet aanwezig iemand kan geen notities maken. In de uitspraak van het Hof staat in r.o.  2.7 het navolgende; “Dat dit thans niet goed meer is te achterhalen, onder meer door het thans niet meer kunnen achterhalen van de aantekeningen van de griffier tijdens de verificatievergadering, is een omstandigheid die naar het oordeel van het Hof voor rekening en risico van appellanten komt.” Gesteld wordt dus dat het zoekraken /verdwijnen (nooit opgeschreven) van belangrijke notities, de schuld van Groot is. Groot behoeft geen oordeel te geven, iedereen die dit leest zal tot een gelijkluidend oordeel komen, dat de wereld op zijn kop wordt gesteld.

107.   Dan stellen ze vervolgens; “De omstandigheid dat de brief van 13 mei 2004 anders luid, doet aan een en ander niet af aangezien appellanten, die bij de verificatievergadering aanwezig waren, verwacht had mogen worden dat zij zich hadden geuit en dit laatste is  (nu net) niet aannemelijk geworden”.  Hoewel we weer bijna 5 jaar verder zijn is Groot nog nauwelijks bijgekomen van zulke onzin en dit niveau van rechtspraak.  We lezen dat ze alleen en uitsluitend oordelen op aannames. De algemene mening is toch wel dat bewijzen boven aannames gesteld dienen te zijn.  Ze stellen dat de curator niet meer weet hoe het daadwerkelijk is gegaan ter vergadering, en het de schuld van Groot is dat zaken op de rechtbank zoekraken. Groot heeft wel gesteld hoe zaken zijn gegaan, maar kan dit niet bewijzen en Sweens heeft een andere, maar zeer vage versie, en bewijst ook niets, en vertoont een vorm van dementie.

108.   Evenwel, als men dan toch op aannames recht wil spreken, dan is het toch wel zeer aannemelijk, dat Groot zijn standpunt van uit de brief zou hebben herhaald ter vergadering.  Ze stellen dat verwacht had mogen worden dat Groot zich had geuit. Dit heeft Groot ook nadrukkelijk gesteld, waar halen zij het dan vandaan dat dit niet zo was. Op basis van de brief van 13-05-2004 zou dit ook een logisch gevolg zijn geweest, mede omdat de vordering altijd is bestreden en er een rechtszaak over liep, hoe veel aannemelijker kan iets dan zijn. Dan is gesteld dat de R.C. en curator niet hebben bevestigd dat Groot de vordering heeft bestreden, maar ze hebben ook niet gezegd dat dit niet zo was. Sweens heeft verklaard het niet meer te weten, dus heeft ook niet beweerd dat Groot de vordering heeft erkent. Gezien de vechthouding van Sweens was ook duidelijk dat die niet neutraal in de zaak stond. Dan stond er ook niet in het proces verbaal dat Groot de vordering had erkend. Er stond niets over in. Toch werd Groot er, op een vage aanname, en niets meer of minder, door deze drie raadsheer dames `rucksigtloss`  ingetikt

Recta nos malum