6.14 Verbetering PV schertsproces.

Verbetering van het proces verbaal, een schertsproces.

90.  Nadat bleek dat de onjuiste inhoud voor waar werd aangenomen, of eigenlijk, dat er onjuiste aannames werden gebaseerd op niet beschreven zaken, bleek dat er volgens bepaalde regels er een z.g. verbetering van het proces verbaal kon worden aangevraagd. Dit werd dan weer een aparte en complete rechtszaak. Eigenlijk heeft men daarbij geen tegenpartij, als er fouten zijn gemaakt, of er blijkt iets onjuist te zijn of anderszins niet te deugen, dan kan men verbetering verzoeken. Dit gebeurt pas als iemand daar ook daadwerkelijk belang bij heeft, wat doorgaans niet zo zal zijn. Dit blijkt ook niet veel voor te komen, en er is weinig bruikbare jurisprudentie vindbaar.

91. Allereerst komt het (hopelijk) bijna niet voor dat processen verbaal opzettelijk worden gemanipuleerd ten behoeve van een bepaalde partij (hoewel het effectief is gebleken, en werkt voor advocaten die zowel slim als slecht zijn). Als er verder geen belang is bij correctie van gemaakte fouten (wat veelal het geval is), dan bespaart men zich ook de moeite. Groot meende eerst geen belang bij verbetering te hebben, maar was ook niet met die regel bekend (Groot is geen jurist).  Het was zijn toenmalige advocaat die Groot er op wees en het in werking heeft gezet.

92.  Zoals gesteld, er is in feite geen tegenpartij. Een curator behoort in zo een zaak gewoon neutraal te zijn. Wat zal het hem uitmaken, als partijen, buiten een faillissement om, elkaar in rechte in de haren zijn gevlogen. Juist het feit dat het hier ook curator Sweens was, die alles uit de kast haalde om de verbetering te voorkomen  bevestigd dan weer dat hij niet neutraal was, maar een kennelijk belang er bij had om veranderingen en correcties te voorkomen. uiteraard wederom een bevestiging van alle voornoemde zaken.

93.  Daar kwam dan bij dat ook hier een directe collega van R.C. (zelfde vakafdeling) van den Berg, er over moest beslissen, wat ook bij mr. Allegro het geval was. Het werk en handelen  van de R.C. (en Sweens) stond immers ter discussie.  Groot meent dat de schijn van belangenverstrengeling evident is, en zij niet over fouten (of opzetjes) van een directe collega behoren te beslissen. In dit geval besliste een rechter mevr. mr. van Leeuwen.

94.   Ter zitting verscheen curator Sweens, die een drie pagina’s tellend document had, in een pleitnota achtige opzet, waarin hij alle zaken die hem te binnen hadden kunnen schieten had verwoord. In ieder geval was duidelijk dat hij er flink tijd en aandacht aan had gegeven. Van een rechter was te verwachten geweest dat die had gevraagd waarom hij zo vijandig was, en zo een vechthouding aannam tegen Groot, maar deze rechter was opmerkelijk aardig tegen Sweens, en koeler en afstandelijker tegen Groot dus Groot voelde het ter zitting al verkeerd gaan.

95.  Wat de curator een reactie noemt, (dus geen verweer of i.d.) kan als bijlage beschikbaar worden gesteld net als alle andere stukken en dossiers die aanwezig zijn en zullen blijven. Naar de bewering van Sweens moet op basis van “de stukken” worden geoordeeld, wat al discutabel is, maar stelt in alinea 8: “De brief van 13 mei 2004 van Lily Company BV.-voor zover deze al relevant is-maakt geen onderdeel van de stukken”.  Verder had Groot volgens hem eerder moeten reageren, was het de fout van Groot, want het proces verbaal had ter inzage gelegen, en zo dus 3 pagina’s vol.

96.  Sprake was verder van een aantal spitsvondigheden, die onnavolgbaar waren. Groot was (volgens Sweens) op de vergadering geweest namens het failliete bedrijf, en dat bedrijf had geen belang bij een wijziging of verbetering, maar de bewering was dat Groot de vordering ook als belanghebbend privé persoon niet had bestreden. Een objectieve rechter zou direct ingegrepen hebben, met de mededeling dat Sweens geen onzin moest gaan verkopen.

97.  Dan nog een andere spitsvondigheid. Omdat Groot geen oud briefpapier meer had, en het briefpapier van de doorgestarte “Lily Company BV.” bij de hand had gebruikte Groot dat voor alle correspondentie met Sweens, dus vanaf maart 2003, wat al heel wat correspondentie betrof, en ging over Lico Teelt  en Lico Export BV. of over zaken die Groot zelf betroffen of wat dies meer zij. Die brieven hadden dus als briefhoofd Lily Company BV. en bevatten daarbij dus alle communicatie gegevens (tel.nr,fax en e-mail). Uit de brieven bleek dan duidelijk waar zaken over gingen etc., en welke zaken die betroffen. Sweens had daar nooit enig bezwaar tegen gemaakt, dus ook geen bezwaar tegen de brief van 13-05-04.  De bezwaren zouden ook vrij bizar zijn.

98.   Aangaande de brief van 13 mei 2004 (3) stelt Sweens (alinea 10) dan als navolgend; “Allereerst is de brief van 13 mei 2004 geschreven door Lily Company BV. Deze vennootschap was tijdens de verificatievergadering niet vertegenwoordigd.” Hier zien we dus Sweens alle spitsvondigheid uit de kast halen om Groot te bevechten. Natuurlijk kan een BV geen brieven schrijven. Een directeur daarvan wel, de brief was door Groot geschreven en ondertekend, en uit de inhoud was het duidelijk dat het een directe reactie was op de brief van de vorige dag van Sweens (2). Iemand moet er voor zichzelf al goede redenen voor hebben, om dit soort spitsvondigheid en onzin bij elkaar te bedenken, en een rechter zou daar direct op in behoren te grijpen.

99.  Zaken stichtten wel verwarring, maakten zaken verwarrend en onnavolgbaar, maar vooral was duidelijk dat (wederom) er van een partijdige rechter sprake was, en het voor Groot een uitwedstrijd was.  Mevr. mr. A.S. van Leeuwen sprak in het openbaar uit dat ze het verzoek tot verbetering afwees om twee redenen. In r.o. 3.6 stelt ze ; “De brief van 13 mei 2004 waarin door Groot bezwaar tegen de erkenning van de vordering van Bleeker Smit v.o.f. wordt gemaakt, bevond zich ten tijde van de verificatievergadering niet in het dossier”. Onbegrijpelijk dat een rechter zulke onzin uit kan kramen. iedere brief die binnenkomt behoort vanaf het moment van binnenkomst tot het desbetreffende dossier, dat weet zelfs iedere leek en zelfs een kind.

100.  Dienaangaande had ze in 2.3 al opgemerkt dat niet was gebleken uit het dossier, dat die brief aan de rechter commissaris was gestuurd. Of de brief in dat geval wel tot het dossier zou behoren is onduidelijk. Ook dit is belachelijke nonsens. De curator is de contactpersoon, die vroeg ook zelf om een reactie,  Groot (of mensen in gelijke situatie) hebben geen tel. nr. of email, van een R.C.  en kunnen niet eens direct contact krijgen met een R.C. Hier zijn een paar zaken bij op te merken. Allereerst wordt niet duidelijk of ze anders had geoordeeld als de R.C. die brief had toegestuurd gekregen. Groot kan zich dit niet voorstellen. Anderzijds stelde rechter Allegro dat de brief geen betekenis toekwam, maar in deze uitspraak staat wél duidelijk dat door Groot bezwaar tegen de erkenning werd gemaakt, dus dat Groot zich in de brief tegen erkenning heeft verzet, wordt als juist erkent. Nu dit nergens is ontkend mogen we dit in ieder geval als duidelijk en vaststaand erkend achten.

101.   Dan de tweede reden, het was deze rechter bekend dat Groot het proces verbaal pas later had verkregen, en  pas vrij kort voordat hij het verzoek tot wijziging deed, er kennis van had dat hij daarmee was genept. De z.g. tweede afwijs grond was dan al net zo opmerkelijk.  Groot citeert r.o. 3.7.  “Daarbij komt dat de verificatievergadering meer dan vijf jaar is verstreken. Indien het al zo zou zijn dat gefailleerde tijdens de verificatievergadering gebruik heeft willen maken op grond van haar bevoegdheid op grond van artikel 126 lid 1 Fw. dan had het op de weg van gefailleerde gelegen om aan de rechtbank verbetering van het proces verbaal te verzoeken onmiddellijk nadat het verslag van de curator met het proces verbaal van de verificatievergadering ter griffie was neergelegd ter inzage, een en ander gelet op het belang van de betwisting door de gefailleerde”.

102.   Alles heeft er van weg dat deze rechter, om haar collega en bevriende curator niet in problemen te brengen, al op voorhand van plan was om deze zaak af te wijzen. Om daar wat argumenten bij te zoeken heeft ze dat dan maar als bovengenoemd opgelost. De wet stelt geen termijn voor een verbeter verzoek, derhalve is het buitengewoon onredelijk om te stellen dat dit onmiddellijk had moeten gebeuren. Dit had vanwege het belang van Groot moeten gebeuren, terwijl deze rechter wist dat Groot zowel het proces verbaal als het belang niet kende, en waar bemoeit zij zich mee. Wat heeft zij met het belang van Groot van doen. Het lijkt er dus op dat ze pretendeert voor het belang van Groot op te komen, maar juist het tegengestelde doet. Daarbij geld de vraag of ze in het voordeel voor Groot had geoordeeld als die wel “onmiddellijk”een verzoek had gedaan. Er is niets wat daar op wijst.

Recta nos malum