6.13 Nadere reflecties PV

Nadere reflecties het proces verbaal betreffende.

  1.   Degenen die bereid zijn zich in deze zaak te verdiepen zullen zich wel zeer hebben verwonderd, en als ze al niet overtuigd zijn dat sprake is van een opzettelijk valstrik, te kwader trouw als zodanig opgezet, dan zullen er veel zaken onbegrijpelijk en onnavolgbaar zijn en blijven. Verwacht zou mogen worden dat rechters die zoiets beoordelen ook al bijna bij de eerste oogopslag zien dat dit stinkt, en als ze het niet zien of begrijpen dan is dit in ieder gerechtelijk stuk nog duidelijk aangegeven en onderbouwd. Groot overweegt om een beoordeling te verzoeken van een vooraanstaande en gezaghebbende jurist,  om op basis van dit document, met mogelijke aanvulling een oordeel te verzoeken, aangaande deze zaken. Daarbij heeft Groot steeds, en in alle instanties, verzocht om de betrokkenen onder ede te horen, wat steeds, in feite botweg is geweigerd, (ook) in strijd met goede en zorgvuldige rechtspleging.
  2.   Groot heeft al iets verwoord, maar wil de overwegingen in de diverse rechtszaken weergeven. Allereerst de uitspraak van 27-08-2008, waar voor de eerste maal bleek dat inderdaad, het vals en gemanipuleerde proces verbaal van doorslaggevende waarde was. Bedacht hierbij dient te worden dat  deze uitspraak komt van een mevr. mr. Allegro, die een directe collega was van mr. v.d. Berg in dezelfde vakafdeling (insolventie etc.)  Gesteld wordt in r.o. 4.9  dat door het niet betwisten van Sweens van de vordering, deze vordering ook ten opzichte van Lico vaststaat. Dat blijft uit als uit het proces verbaal blijkt, Citerende “indien uit het proces verbaal blijkt dat de vordering door Lico is betwist. Aan het proces verbaal wordt doorslaggevende waarde toegekend, nu dat dit is opgesteld door de rechter commissaris aan wie in gevolge van art. 126 van de faillissementswet eigen bevoegdheden toekomen ten aanzien van de vraag of een betwisting van en vordering al dan niet in het proces verbaal worden opgenomen. De brief van Groot van 13 mei 2004 doet derhalve niet ter zake. Vast staat dat van een betwisting door Lico, bij monde van Groot, die bij de verificatie vergadering aanwezig was, uit het proces verbaal van de verificatievergadering niet blijkt. Hiertegen heeft Groot geen bezwaar kenbaar gemaakt. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering van Bleeker op Lico ook buiten faillissement tegenover Lico vaststaat”.
  3.  Duidelijk is dat Sweens en Duijsens (en v.d.Berg) goed wisten waar ze mee bezig waren, sprake is niet eens van mazen in de wet, maar van absoluut ondeugdelijke wetgeving. Nu Groot stelt dat er zaken niet in het proces verbaal zijn opgenomen, maar ook dat hij dit niet kan bewijzen, is het omgekeerd net zo, dat de R.C. nooit kan bewijzen wat Groot wel of niet heeft gesteld. Hier wordt dus gesteld dat de wet bepaald dat een R.C. slechts de waarheid op schrijft, alleen omdat hij nu eenmaal van de hoge rechters elite is, dus een vrijbrief om straffeloos onwaarheden te stellen. Groot daarentegen wordt zonder enig bewijs (maar zeer onwaarschijnlijk) regelrecht en nadrukkelijk uitgemaakt voor leugenaar omdat die tot een lagere rangorde behoort, die van de ordinaire burgers. Groot stelt hierbij dat dit in strijd is met de grondwet artikel één, die alle soorten van discriminatie verbiedt, ook die van klasses, of vermeende rangordes. Er bestaat geen snipper bewijs dat Groot onwaarheden stelt, en ook geen snipper bewijs dat de R.C. waarheidsgetrouw is.

Recta nos malum