6.11 Beschouwingen achteraf.

6.11  Beschouwingen achteraf.

  1.  Benoemd als enigermate begrijpelijk van Sweens dat hij Duijsens ter wille wilde zijn (tegen onbekende tegenprestatie), is het wel veel onbegrijpelijker dat deze R.C. dus rechter mr. van den Berg, hier voluit in mee ging. In redelijkheid gesteld noemt Groot dit onverklaarbaar, maar het feit spreekt voor zich. In feite is deze rechter hiermee ver buiten zijn boekje gegaan. Duidelijk is dat er rechters zijn die zich onaantastbaar voelen nu zij zo ongeveer volledig ongecontroleerd kunnen handelen en uitspraken doen, maar door een proces verbaal op te stellen wat te benoemen is als valsheid in geschrifte, meent Groot dat ook voor hem een grens is overschreden en dit feitelijk strafrechtelijke consequenties behoort te hebben.   
  2.  Hypothetisch denkt Groot, dat de feitelijk niet verwachte brief van Groot van de dag tevoren, hun plan op losse schroeven had gezet. Nu Groot daarin zo duidelijk zijn standpunt had gesteld was het toch wel moeilijk om een proces verbaal te produceren waarin zou staan dat Groot de vordering plotsklaps wel erkende. Dit zou toch wel ongeloofwaardig zijn, zeker als er daarvoor geen zinnige redenen denkbaar waren. Mogelijk heeft de R.C. zelfs wel af willen haken maar heeft de curator een compromis bewerkt. Volgen de wet behoort er in een proces verbaal te staan dat een vordering bestreden is. Als daarover niets is vermeld, staat er dus ook niet in dat de vordering bestreden is.  Dat is voldoende gebleken, ook al blijkt uit alles dat dit onaannemelijk is, en stelt de betrokkene dat hij zaken wel en duidelijk heeft gesteld maar dat die (kennelijk voorbedacht en vooropgezet) weg zijn gelaten.
  3.   Duidelijk moge zijn dat Groot het gehele gebeuren niet kon plaatsen. Hij herinnert zich dat hij op de terugweg zaken overdacht en er geen soep van kon koken. De vergadering bijwonen zou ook in zijn eigen belang kunnen zijn had Sweens hem telefonisch gezegd. Daar was niets van ervaren. Er was alleen over de vordering van Bleeker gesproken, terwijl hij de dag tevoren daar, dus ook schriftelijk, duidelijk zijn mening over had gegeven. Dat hij opzettelijk door Sweens naar die vergadering was gelokt, om Groot te pakken te nemen, en in de luren te leggen, werd pas (veel) later duidelijk, maar Groot herinnert zich wel de gedachte, en het besef dat hij op nutteloze en zinloze wijze zijn tijd had verprutst. Dat het daar niet bij zou blijven, en dat de opzet was om hem te ruineren, en er was ingetuind, heeft hij later mogen ervaren.
  4.   Zoals gesteld meende Groot met de afhandeling van de faillissementen geen enkel belang meer te hebben, of verdere bemoeienis, dus Groot heeft er verder niet meer over nagedacht, dus ook niet over een proces verbaal of wat dan ook. Toen Groot het in juli 2005 in handen kreeg, heeft hij wel gezien dat er niets van klopte maar als verder onbelangrijk aan het dossier toegevoegd.  Pas in 2007 dook het op als bijlage in de per juli 2006 tegen Groot door Duijsens aangespannen zaak, die volstrekt onverwacht, dus als donderslag bij heldere hemel, Groot was overkomen.
  5.  Een aantal zaken zijn van lieverlee duidelijk geworden, die er toe hebben geleid dat inmiddels een proces is ingesteld om tot nietig verklaring van de vergadering, en / of het proces verbaal te komen. Dat de griffier weggelaten was is al genoemd. De bedoeling is achteraf wel duidelijk. Die griffier zou gewoon braaf en correct op hebben geschreven wat Groot had gezegd, dus dat hij de vordering bestreed. Dat was natuurlijk precies niet wat de bedoeling was. Als om praktische redenen ze bij een als onbelangrijk aangemerkt iets, niet aanwezig is, en verzocht wordt even iets te ondertekenen, nu dit formeel zo behoord, zal ze dit doen, als problemen niet denkbaar zijn. Mogelijk gebeurde dit wel vaker, bekend is dat dit ook in algemene zin wel eens vaker voorkomt.
  6.  Nu mr. van Meel stelde dat dit zaken ongeldig maakte is er overlegd wat daarmee kon worden gedaan. Daarbij overwogen dat de kans groot was dat dit zou worden ontkend, of dat men zich het niet herinnerde. Daar echt iets mee kunnen en doen was derhalve als kans van slagen bedenkelijk. Achteraf wordt ook begrepen waarom de echte rechter commissaris van Lico Teelt BV. mr. Blokland niet op die vergadering aanwezig was. Het is immers niet reëel om te veronderstellen dat iedere R.C. zich voor dergelijke opzetjes zou lenen. Vooralsnog gaat Groot er van uit dat mr. v.d. Berg tot de volstrekte uitzonderingen behoort. Groot heeft inmiddels wel aanmerkingen op Blokland, maar is wel  van mening, dat mr. Blokland hier nooit en te never aan mee zou hebben gedaan. Groot veronderstelt zelfs dat mr. Blokland niet eens kennis van deze vergadering had en het proces verbaal niet kende, en overal door Sweens buiten was gehouden. Aan het einde komt Groot nog even op Blokland terug.
  7.  Groot had zich er over verwonderd dat er niemand van de schuldeisers aanwezig waren geweest. In het proces verbaal staat dat ze schriftelijk geïnformeerd waren geweest, en Groot had lange tijd geen reden om aan te nemen dat dit niet het geval was geweest. Pas vrij recent opperden de advocaten van Groot om toch eens na te gaan of dit wel juist was, nu andere zaken ook onjuist waren gebleken, o.a. de griffier. Van deze crediteuren waren er nog drie goed benaderbaar, en normaal objectief, dus niet vijandig t.o.v. Groot.  Die hebben alle drie stellig bevestigd en schriftelijk verklaard dat ze met zekerheid wisten dat ze nooit een schriftelijk bericht hadden gehad, van de verificatie vergadering, wat enerzijds nieuw licht wierp op de zaak, en anderzijds, met de kennis van nu, ook vrij begrijpelijk is. Het is te bezien als de meest stellige bevestiging dat deze verificatievergadering te kwader trouw was opgezet om Duijsens / Bleeker te bevoordelen, en Groot te benadelen.
  8.   Deze zaken zijn overigens opmerkelijk, men kan zich afvragen of men niet al te lichtvaardig met Duijsens het opzetje had opgezet en aan hem toegezegd, en daarbij niet alles had overzien. Men zal zich immers pas later zijn gaan realiseren dat men maar moeilijk een document kan manipuleren en vervalsen, als er meerdere getuigen zijn die iets als onwaarheid (onder ede) aan kunnen merken. Sweens is zich gaan realiseren dat daarmee door hem een te groot risico werd genomen. Dat Groot de vordering te vuur en te zwaard zou blijven bestrijden, daar zal Sweens nooit aan hebben getwijfeld. Derhalve dus geen getuigen en pottenkijkers.

83.   Groot heeft hierbij het beeld geschept van alle zaken en omstandigheden, en zijn conclusies en bevindingen, die hij bij de diverse onderdelen al heeft verwoord. Groot wil, ter vervolmaking nog aangeven welke zaken er volgens hem niet waar zijn bij het proces verbaal.  Dan zal hij nog aangeven hoe zaken in gerechtelijke uitspraken zijn vervat en beoordeeld. Zaken die voor Groot, maar ook voor zijn raadslieden en andere deskundigen, onbegrijpelijk en onnavolgbaar zijn. De conclusie is dat mogelijkerwijs wetten en regels gewoon beter zouden kunnen, nu misbruik door bv. rechters, advocaten en curatoren wel eens te gemakkelijk is en te weinig controle kent, en men iets te naïef uitgaat van hun deugdzaamheid en integriteit, maar dat het aan de lieden die gerant dienen te staan voor een goede en zuivere uitvoering van het recht verwijtbaar is dat, als er calamiteiten gaande zijn, kennelijk iedereen de ander dekt, en uit de wind houdt tegen beter weten in.

Recta nos malum