6.10 Verificatievergadering

6.10   Verslag van de vergadering, zeer bevreemdend! niets leek normaal.

59.  Zoals gesteld ging Groot d.d. 14-05-2004  naar deze verificatievergadering die om half tien was gepland. Groot heeft zich steeds verwonderd over de gang van zaken bij ieder onderdeel van dit gebeuren. Uiteraard wist Groot niet wat als normaal te doen gebruikelijk gold, afgezien van het feit dat hij verschillende malen schriftelijk heeft benadrukt dat die vergadering onnodig en nutteloos was. In een schrijven van 07-05-04 geeft Sweens ook toe dat de vergadering feitelijk onnodig is, maar laat die evenzogoed doorgaan, kennelijk om Duijsens van een bruikbaar document te voorzien en te bevoordelen, en Groot omgekeerd evenredig te benadelen.

60.  Dat dit het geval was, wordt ook wel bevestigd althans zeer aannemelijk, omdat achteraf wel is gebleken dat Duijsens na de vergadering ongeveer voor de deur stond om het proces verbaal in ontvangst te nemen, en dit in de schoot geworpen kreeg, terwijl de inkt nauwelijks droog was. Hij had om erkenning van hun vordering verzocht en die ook gekregen, dus gekregen wat hij vroeg, en in principe, zou men dan denken, verder geen belang bij dit proces verbaal. Dat Duijsens hier kennelijk direct over beschikte terwijl Groot het niet toegezonden had gekregen en van het bestaan ervan zich ook niet bewust was, is al bevreemdend, dit dus in tegenstelling tot Duijsens (namens Bleeker) die kennelijk tevoren wist dat dit voor hem een cruciaal en bruikbaar document zou gaan zijn.  Ook daar is uit op te maken dat sprake was van een opzetje en een gecoördineerde actie. Duijsens zal wel gaan beweren dat hij routinematig het proces verbaal op vroeg en toen ontdekte dat (??? in wezen kon hij niets ontdekken nu er niets in vermeld stond)  hij er wel iets mee zou kunnen, of iets in dergelijke context, en rechters trappen standaard in dat soort beweringen is de ervaring, maar voor ons bevestigd het alleen de schijn en aannemelijkheid van het opzetje.

61.   Wat Groot precies had verwacht toen hij de verificatievergadering ging bezoeken wist hij niet, maar wel totaal anders dan zaken verliepen. Groot heeft dit overigens al vele malen beschreven, ook in gerechtelijke stukken aangaande procedures etc. Nu tot nu toe niemand daar op reageerde vonden anderen o.a. rechters dit kennelijk normaal, maar Groot verwonderd zich daarover nog steeds. Groot was een kwartier voor tijd in de rechtbank aanwezig, werd door de bode naar een kamer verwezen, maar stelde dat de R.C. en Sweens daarin in gesprek waren. Pas een half uur later werd Groot binnengeroepen.

62.  Groot had verwacht dat er een hoeveelheid belanghebbende lieden aanwezig zouden zijn, o.a. van GUO (Groot wilde die nog eens aanspreken over hun zinloze handelen wat Groot zo onnodig in de problemen had gebracht) en een vertegenwoordiger van Bleeker (bv. Duijsens), en ook de grotere reguliere crediteuren, zoals BDO, fa. Noor, fa Wijnker, enz.  In feite had Groot met alle crediteuren afspraken tot afwikkelen, maar kon daar door het handelen van Sweens niet meer aan voldoen. Daar had Groot zich ook van voorgenomen om wat te zeggen, in het bijzijn van de rechter commissaris, waar Groot in ieder geval ook mr. Blokland verwachtte die als toezichthouder daar mogelijk iets van zou vinden.

63.  Het zat Groot immers zeer hoog, dat hij alles in het werk had gesteld om op basis van afspraken en regelingen, de (erkende crediteuren), vanuit de opbrengsten van de doorgestarte BV. alsnog te betalen, en al flink was gevorderd om ieder het zijne te geven, wat door Sweens was doorkruist en onmogelijk gemaakt, en dat die zijn zak aan het vullen was, en achteraf bezien ook niets anders heeft gedaan. Op dat moment had Groot ook de gedachte dat de vergadering bedoeld was om nog even flink extra kosten te kunnen declareren, door Sweens, naar zichzelf toe,  nu dit het meest voor de hand liggend was.

64.  In werkelijkheid kwam Groot in een klein vertrek met een grote tafel in het midden, dus niet in een rechtspraak setting. Een soort vergaderkamertje. Aan de ene kant zat curator Sweens, aan de andere kant de rechter commissaris van Lico Export BV. mr. v.d. Berg, die Groot niet kende en dus voor de eerste maal ontmoette. Mr. Blokland bleek dus niet aanwezig, achteraf bezien heeft Groot daar een hypothetische verklaring voor, waar hij op terug zal komen. Groot werd verzocht om aan de zijkant plaats te nemen, en was dus de derde persoon. Verder was er dus niemand, wat het eerste opmerkelijke was.

65.   Hoewel we nu ruim tien jaar later zijn, zijn de herinneringen, door al datgene wat later is gebeurd, levend gebleven. Groot was onkundig over de regels voor zo een vergadering, die achteraf ook een veel grotere officiële waarde bleek te hebben dan wat Groot vermoedde. Die dacht dat dit ook, of vooral informeel was, het verkrijgen van ontbrekende informatie of meer duidelijkheid aangaande een en ander. Wat daar verder van moge zijn, toen bleek dat het proces verbaal Groot de das om deed, ca. 5 jaar later, herinnerde hij zich in ieder geval met grote zekerheid dat er geen griffier aanwezig was geweest.  Als iemand een vergadering van tien personen bijwoont, weet hij 5 of tien jaar later niet of er nu negen of elf waren als daar niet speciaal op is gelet.

66.  Als er evenwel maar drie personen zijn, nat onthoud iedereen dit met zekerheid. Groot heeft dit ook al ca. 5 jaar later aangegeven, wat o.a. in een proces verbaal van het Hof in Amsterdam ook is vastgelegd, een proces verbaal van een zitting van 27-04-2010, waarin door Groot verbetering van het proces verbaal van 14-05-2004 werd verzocht. Groot citeert dit; “De heer Groot vervolgt, Ik zat tijdens de verificatievergadering aan de zijkant, volgens mij was er geen griffier aanwezig. Er is simpelweg door de rechter commissaris gevraagd of ik de vordering bestrijdt of niet. De consequenties van de vraag zijn niet uitgelegd. Bleeker heeft mij een streek geleverd”.  Einde citaat, letterlijk overgenomen. Aldus dus ca. 5 jaar terug opgetekend, en globaal overeenkomend wat  nog steeds wordt gesteld.

67.   Pas veel later heeft mr. van Meel Groot er op gewezen dat er dan sprake was van niet volgens de regels handelen, en dus van een ongeldige vergadering en /of ongeldig proces verbaal. Het proces verbaal was wel door een griffier ondertekend, maar dat moet zijn gedaan op verzoek van mr. v.d. Berg die het kennelijk zelf (mogelijk in overleg met Sweens, moet hebben opgesteld). mr. van Meel stelde dat hij deze griffier Beumer wel kende, een mevrouw. Groot weet 100 % zeker dat er geen vierde persoon aanwezig was, en zeker geen vrouw, en die zou dan naast de R.C. ter linker zijde van hem hebben moeten zitten, dus ter rechter zijde van Groot, en dus bijna bij hem op schoot. Achteraf is dit evenwel zeer goed verklaarbaar en zou het vreemd zijn geweest als die mevrouw er wél bij was geweest, maar dit bewijst nog eens extra dat sprake was van een vooropgezet opzetje.

68.  Het eerste wat Groot opviel was dat de brief die hij de dag tevoren aan de curator had gezonden tussen hen beiden in op tafel lag. Voor die tijd hadden ze zeker een half uur met elkaar in gesprek geweest, aannemelijk is dat die brief dus uitgebreid is besproken. Het volgende was opviel bij Groot, was dat beide heren onvriendelijk en grimmig overkwamen tegen Groot. Dit was wel zeer verrassend omdat Groot meende dat hij Sweens een dienst bewees door alsnog gehoor te geven aan zijn dringende verzoek, nu hij de aanwezigheid van Groot zo van belang achtte, althans dat had beweerd en voorgewend. Groot herinnert zich nog zeer goed dat hij daar een heel vreemd gevoel bij kreeg.

69.  Van ongeveer alles wat later in het proces verbaal is beschreven, klopt helemaal niets. Wat werkelijk gebeurde was dat er meteen werd verwezen naar de brief die op tafel lag en zowel de R.C. als de curator, om en om, begonnen over de Bleeker vordering en dat zij van mening waren dat die vordering een terechte vordering was, en ze probeerden Groot daar een soort van bevestiging mee te ontlokken. Groot heeft gesteld dat hij zijn standpunt duidelijk in de brief had verwoord, daar bij bleef, en er weinig aan toe had te voegen. Dat Groot die vordering bestreed was bekend en overduidelijk, er liep immers een rechtszaak over, een beter bewijs dat iemand iets bestreed lijkt Groot niet mogelijk.

70.  Daar is dan toch aardig lang over doorgezaagd, over andere vorderingen is verder in het geheel niet gesproken, daar was immers ook al schriftelijk over gecommuniceerd, en er zou immers ook nooit iets op uitgekeerd worden. Het moge duidelijk zijn dat dit totaal niet ging zoals Groot zich had voorgesteld, en hij herinnert zich dat hij, mede door de onprettige en grimmige sfeer, daar behoorlijk gepikeerd over begon te worden. Anderzijds is daar dus ook duidelijk mee gemaakt dat er geen sprake was van neutrale lieden die  een normale invulling aan hun werk gaven. Ze hadden strikt neutraal behoren te zijn tussen Groot en Bleeker (die er dus zelf niet was) terwijl Groot toen al de stellige indruk kreeg dat ze dit niet waren.

71.  Daarbij vormden Sweens en de R.C. een absolute twee eenheid. Tegenover elkaar waren ze juist erg joviaal, en opererende als een team. Van een hiërarchie (de toezichthouder en degene die wordt gecontroleerd) was niets merkbaar, duidelijk was dat ze elkaar zeer goed kenden, en ook met teamwork bezig waren. Natuurlijk kan Groot zich zaken niet woordelijk meer herinneren, maar zeker de tendens en teneur, en waar wel, en waar in het geheel niet over is gesproken.

72.  Na het gehakketak over de vordering en het aandringen van de twee-eenheid, om, al was het maar enigermate, met hen mee te gaan, is er niet meer over andere zaken gesproken, behalve aan het eind, toen Sweens wat leek te ontdooien en wat vriendelijker leek te worden. Belangstellend vroeg hij hoe het zakelijk met het doorgestarte bedrijf Lily Company BV. gingen.  Later heeft Groot begrepen dat hij na wilde gaan of het de moeite zou gaan lonen om Groot (tegen alle afspraken in) privé aansprakelijk te gaan stellen, om nog een schikking af te kunnen dwingen ten behoeve van de eigen broekzak. Dat dit de reden was is aannemelijk, omdat dit precies datgene was wat hij  heeft gedaan, zijn eerste dreigbrief was van 27-12-2004,  na anderhalf jaar dreigen en chanteren is hij d.d. aug. 2006 een procedure begonnen (bijna gelijktijdig met Bleeker) die hij na 3,5 jaar verloor.

73.  Ongeveer alles wat plaats vond wijst er op dat alles vooropgezet was, en partijdig voor Duijsens en tegen Groot. Dat Sweens kennelijk een hekel aan Groot had gekregen was geen verrassing, dat hij Duijsens zo ter wille was, is wel opmerkelijk en bijzonder, maar inmiddels weet Groot meer en weet dat bij derden er ook zeer discutabele ervaringen zijn met deze persoon en curator, die van al zijn zogenaamde toezichthouders ook kennelijk volledig de ruimte kreeg, dus niet eens een of zichzelf staand incident.

74.   Het zou immers een normale zaak zijn geweest, dat de twee-eenheid Groot had gewezen op de consequenties van een eventueel erkennen van de Bleeker vordering. Niet dat dit aan de orde was, Groot bestreed de vordering immers, maar volgens het proces verbaal heeft Groot niets gezegd, dus ook de vordering niet duidelijk en expliciet bestreden. Het zou toch een normale zorgplicht zijn geweest, vooropgesteld dat de twee-eenheid neutraal tussen Bleeker en Groot stond, wat zo behoort te zijn en verwacht mocht worden, dat zij Groot er op hadden gewezen dat erkenning grote gevolgen kon hebben. Daar kwam bij dat het zeker is dat zowel Sweens, als de R.C. er ten volle mee bekend waren dat Duijsens zinde op een rechtszaak (en wraak).  Reeds het feit dat Groot daar totaal niet op is gewezen, of enig iets in die richting, voegt toe aan het bewijs dat men partijdig tegen Groot was.

Recta nos malum