6.09 Brief van Groot

6.09   De brief van Groot van 13-05-04 (3)

  1. Wat dan verder ook de bedoeling en opzet van Sweens (en Duijsens) heeft moge zijn, de volgende dag om 11.08  heeft Groot een reactie terug naar Sweens gefaxt (3), dus een reactie op zijn eigen verzoek. Reeds het feit dat die brief in de opvolgende periode een uitermate bijzonder en onwerkelijk leven is gaan leiden geeft al aan dat dit een zeer ongewenste brief is geweest die feitelijk alle plannen in de wielen reed  en naar Groot meent en veronderstelt ook op losse schroeven heeft gezet. Zoals u kunt lezen stelt Groot dat je niet zomaar naar de rechter stapt, Bleeker opgejut door vijanden van Groot niet van een regeling wilde weten, er deskundigen rapporten reeds klaarlagen, en duidelijk diende te zijn dat de vordering van Bleeker niet werd geaccepteerd.
  2.  In dezelfde brief stelt Groot dat hij na ampele overwegingen, toch de vergadering bereid is te bezoeken.  Dat Sweens om z.g. beslissende argumenten verzocht, had er kennelijk mee van doen dat hij zoiets formeel verplicht was, en daar geen verwijt of reprimande over wilde krijgen. De opzet daarvan zal zijn dat die argumenten dus beslissend in de overwegingen van de curator mee zouden worden genomen, maar daar is nu juist weer niets van gebleken. Alles heeft er van weg dat men juist een dergelijke brief niet had gewenst, en door de reactie tijd te krap te stellen had willen voorkomen.
  3.  Normaal wordt gesteld dat het altijd goed is om zaken goed op schrift te stellen. Dan stonden immers zaken zogezegd onherroepelijk vast. Bevreemdend (zeg maar van abnormaal) was dat het juist Sweens was die de brief allerlei andere betekenissen probeerde te geven dan dat wat er duidelijk in stond. Zo had Groot gesteld in de eerste zin: “Wat u met de Bleeker vordering doet lijkt mij in hoofdzaak uw zaak”. Dit werd door Sweens in het vervolgproces zo gedraaid dat hij stelde dat Groot met die zin hem toestemming en mandaat had gegeven, om er maar mee te doen wat hij wilde.
  4.  Natuurlijk kan ieder weldenkend mens lezen wat er in werkelijkheid staat. Groot veronderstelt dat een curator de vrijheid heeft daar zelf over te beslissen, en niet verplicht is om rekening met een derde (en zeker niet de gefailleerde zelf) te houden. Die veronderstelling is ook juist gebleken. Groot stelt : “In de hoofdzaak” Groot lijkt kennelijk te vermoeden dat een curator nog wel met één en ander rekening moet houden. Groot laat merken dat hij geen jurist is maar van die zaken uit gaat wat ook later steeds is bevestigd. Het bevreemdende en ook verdachte hierbij is, waarom Sweens meent om er zo veel belang bij te hebben dat hij dit de opvolgende jaren bij iedere gelegenheid probeert te verdraaien en onjuist voor te stellen. In normale omstandigheden doet iemand dit nu kuist net niet, kortweg, dit stinkt.
  5.  Immers, Groot vervolgt die zin na een komma met: “bij ons is het zo dat we bepaaldelijk niet naar de rechter stappen, als er niet héél veel aan de hand is”  waarbij Groot dus (impliciet) stelt dat er volgens hem wél héél veel aan de hand is. Op die volgende zin is Sweens daarna dus nooit ingegaan. Het was inmiddels zijn rechtszaak, hij had behoren te vragen wat er exact aan de hand was, en welke bewijzen Groot hem kon verstrekken. Wat ook en nog meer voor de hand had gelegen was de vraag of Groot de zaak van hem over zou willen kopen voor een bepaalde prijs, als hij de zaak zelf niet wilde voeren. Dat hoorde bij zijn normale taakuitoefening.  
  6.  Niet alleen Sweens wilde niet lezen wat er in die brief stond, maar ook allerlei opvolgende rechters, in eerste aanleg steeds directe collega’s van r.c. mr. van den Berg, gingen uitermate bevreemdend met die brief om. Of ze wilden niet lezen wat er in stond, of ze negeerden de brief of gaven die een andere uitleg. Dit is wel uitermate vreemd, en is uitzonderlijk, en is voor Groot simpelweg een bewijs dat men collega’s en een bevriende curator de hand boven het hoofd wilde houden, waarbij men bereid was heel ver te gaan.
  7.  Volgens de eerste uitspraak (27-08-08/Allegro) deed die brief niet ter zaken, volgens uitspraak Hoger Beroep doet de brief juist wel weer ter zake, en zou er van Groot verwacht zijn dat Groot de bestrijding de volgende dag ook zou hebben uitgesproken, maar nu dit niet in het proces verbaal stond was dit niet zo geweest, er aan voorbij gaande dat Groot stelde dat dit wél het geval was, en het proces verbaal niet  klopte, en het ook wel zeer vreemd zou zijn geweest dat Groot het daar niet had bestreden. Groot werd aangemerkt als de leugenaar, omdat hij tot het gepeupel behoorde en de R.C. (mr. v.d.Berg) had gelijk omdat die tot de (eigen) elite behoorde.
  8.  Volgens dan weer een directe collega van v.d. Berg (zelfde vakafdeling) mevr. mr. v. Leeuwen zou de brief niet tot het dossier behoren. (alles behoort tot een dossier vanaf het moment van binnenkomst) en Duijsens beweerde ter zitting dat de brief nooit zou zijn verzonden. (was geregistreerd in het faxregister). Daar stopt het dan lang niet bij maar voldoende duidelijk is gemaakt dat deze brief zeer ongewenst was, en ook dat de gehele zaak simpelweg stonk, en er steeds meer lieden daarbij betrokken raakten en de rijen gesloten moesten blijven houden, die Groot dus slachtofferden.
  9.   Dit dus alles als voorgeschiedenis, en bemerkingen, achtergronden en ook conclusies.  Duidelijk is dus dat Groot eerst aan Sweens had geschreven dat hij niet naar de vergadering zou komen en later ook dat Groot meende dat Sweens hem niet kon dwingen, maar op het aandringen van Sweens dus toch is gegaan. Overwegingen die er aan ten grondslag lagen waren ongeveer als navolgend. Allereerst zag Groot geen gevaar, zaken waren al geregeld, vreemd en bijzonder dat Sweens die verificatie vergadering nog wilde maar direct daarna zou hij dan de gemaakte afspraken om snel de faillissementen af te handelen nakomen en was het gehele gedoe achter de rug.
  10.  Dan vond Groot dat Sweens gewoon een fout en slecht mens was, maar had nu eenmaal wel met hem te maken. Als hij er dan zo aan hechtte dat Groot aanwezig zou zijn, dan wilde Groot hem nog wel ter wille zijn. Ook de overweging dat een ritje, en een paar uur aan iets besteden, nu ook weer niet het einde van de wereld was, maar vooral ook een mate van interesse en nieuwsgierigheid wat zoiets nu inhield, en zou verlopen. Nogmaals, het was voor Groot absoluut onmogelijk om een opzetje en kwade trouw te vermoeden, of hun plan op voorhand te kunnen doorzien. Groot kende de waarde die men aan zo een proces verbaal toekent ook niet, en wist niet eens dat er proces verbaal van zou worden gemaakt.
  11.  Pas stukje bij beetje, en pas nadat de gevolgen duidelijk werden, wat pas ruim 4 jaar later was, bij de eerste uitspraak van d.d. 27-08-2008, kwam Groot tot de ontdekking dat iets wat hij onmogelijk had geacht, mogelijk bleek en ook dat dit geraffineerd was opgezet, maar daarbij, dat dit planmatig was geschied. Bleeker begon d.d. 18-07-2006 een procedure tegen Groot. Pas later kwam hij met zijn troefkaart, zijnde het proces verbaal. Zowel Groot als ook zijn toenmalige raadsman (mr. S. Kruijt) waren van mening dat dit niet zou kunnen slagen, allereerst omdat er in het proces verbaal niets stond over het wel of niet erkennen van de vordering van Groot, van beide stond er niets in. Anderzijds had Groot de dag tevoren de voornoemde brief (3) gezonden die aan duidelijkheid niet te raden overliet. Dat zou voldoende geweest moeten zijn.
  12.  Pas toen is Groot gaan begrijpen dat hij er enigszins plat uitgedrukt, gewoon in was geluisd. Een andere verklaring was onmogelijk. Daarmee werd ook alles verklaard, het was geen nutteloze vergadering, wel voor alle andere schuldeisers, maar opgezet ten voordele van Duijsens en Bleeker. Ook werd daarmee verklaard waarom Sweens zich zo had ingezet om Groot naar die vergadering te lokken, en is Groot ook gaan begrijpen waarom er van zo een uitermate vreemde gang van zaken sprake was, waar Groot navolgend op in zal gaan.

58.  Wat daar dan verder zoal van moge zijn, in zijn argeloosheid heeft Groot één van de slechtste, zo niet de slechtste beslissing van zijn leven genomen. Terwijl de einduitslag nog ongewis is, en een goede en eerlijke rechter altijd nog tot de mogelijkheden blijft behoren, heeft het Groot in materiële zin al sowieso meer dan een half miljoen euro gekost, met het vooruitzicht dat het Groot geheel gaat ruïneren, door nota bene degene die grote wanprestatie tegen heb had gepleegd, met de hulp van foute advocaten, curator, en rechters (commissarissen). Dit terwijl het enige wat Groot deed en wilde was om recht te verkrijgen.

Recta nos malum