6.08 Plan; na A komt B

6.8   Plan / vervolg, na A komt B.

38.   Daarbij geld wel dat, indien A wordt gezegd, B volgt en mogelijk nog veel meer. In andere z.g. praktijkgevallen, zien we dat de gevolgen niet voldoende worden overzien, en dat, als zaken niet kies, of rechtmatig zijn, men elkaar moet gaan dekken, daardoor medeplichtig wordt en er ook belang bij heeft dat zaken onder de pet blijven, en ook dat bepaalde beroepsgroepen de neiging hebben om lieden van de eigen beroepsgroep in bescherming te nemen. In het geval van de manipulatie van dit proces verbaal werd een rechter (mr. H. v.d. Berg) betrokken die meende als rechter buiten alle controle te vallen en wel even mee wilde werken. Nu dit niet uit mag komen, en de ene na de andere zaak bij zijn directe collega’s in behandeling komt, zou het eigenlijk vreemd zijn als zijn collega’s hem af zouden vallen. Dit mag wel van rechters verwacht worden maar niets menselijks is hen uiteraard vreemd.

39.  Hier komt dan ook het bevreemdende bij dat de Bleeker zaak werd behandeld door rechter J. Blokland, die dus ook de voornoemde getuigenverhoren had afgenomen, en tot drie maal tot een tussenuitspraak was gekomen. In de laatste tussenuitspraak d.d. 20 augustus 2003 stelt rechter Blokland dat hij een bewijsopdracht aan Groot zal gaan verstrekken, maar eerst een comparitie van partijen zal houden. Daarbij stelt hij dat Groot alle gelegenheid zal gaan krijgen om zijn stellingen dat Bleeker te kort is geschoten te kunnen en te mogen bewijzen, en verzoekt alle bewijsmateriaal te bewaren en paraat te houden zodat hij tot een gedegen beoordeling kan komen.

40.  Daar kan dus een heldere conclusie uit worden getrokken, namelijk dat rechter Blokland er kennelijk van uit gaat dat Groot een terechte eis heeft, die, als die met gedegen bewijsmateriaal wordt onderbouwd, dus ook toegewezen zal worden. De rechtbank sluit daarbij niet uit dat bewijs door deskundigen nodig zal zijn, dus geeft daarbij aan dat deze rechter bereid is om getuigenverhoren te houden, om zoals aannemelijk wordt gemaakt (en niet bijzonder behoort te zijn) de onderste steen boven te halen. Dat Groot keihard bewijs achter de hand had was bij deze rechter, of andere partijen niet bekend.

41.  Zowel Duijsens, als ook de curator waren dus met deze tussen-uitspraak bekend, die voor zich sprak en alleen tot bovengenoemde conclusie kon leiden. Ruim een half jaar later, schrijft Duijsens de voornoemde brief van 23-03-2004 (1)aan Sweens,  stelt Duijsens dat Bleeker alles goed heeft gedaan, over voornoemd tussenvonnis wordt niet gerept, en later stelt Duijsens nog dat zij al zo goed als in het gelijk zouden zijn gesteld, met nog allerlei onwaarheden en misleidingen. Juist het tussenvonnis had voor Sweens beslissend en bepalend in zijn handelen behoren te zijn.

42.   Nog vreemder wordt het evenwel als we hierbij bedenken, en in de overweging meenemen, dat mr. Blokland ook de Rechter Commissaris was in het bewuste faillissement van Lico Teelt BV.  Vast staat dat er tussen Sweens en Blokland regelmatig en intensief contact was, nu die ook R.C. in ander zaken met Sweens was.  Het is dan toch zeer vreemd, zeg maar onverklaarbaar, dat Sweens demonstratief op de stoel van deze rechter gaat zitten, die zowel R.C. is van het failliete bedrijf, als ook de rechter in de lopende rechtszaak is, en al duidelijk heeft gesteld, dat hij de eisen van Groot zeer serieus neemt, en bij voldoende bewijs zeker in het voordeel van Groot zal beslissen.

43.   Sweens had derhalve de beslissing van deze rechter en R.C. serieus behoren te nemen, en met Groot in overleg moeten gaan aangaande al of niet voldoende bewijs. Wat hij perse niet had behoren te doen was konkelevoezen met zijn feitelijke tegenpartij Duijsens, zich zijn ongefundeerde beweringen aan laten praten, en een opzetje bedenken en een complot beramen. Duijsens / Bleeker was immers zijn tegenpartij. Daarbij wijst alles er op dat Sweens, hoewel Blokland de R.C. was, deze geheel buiten de zaken aangaande hun complotten heeft gehouden, waar we op terug gaan komen. Dit kennelijk, naar Groot vermoed en aanneemt, omdat die niet mee zou gaan in hun complot en hun opzetje zou gaan verstoren, in tegenstelling met de andere R.C. mr. v.d. Berg. Die was evenwel R.C. van Lico Export BV. waar de Bleeker zaak buiten viel.

44.  Groot is van mening dat al deze z.g. achtergrond informatie van belang en relevant is, om de gehele opzet en gang van zaken duidelijk te maken en om de belanghebbende (al of niet professionele) lezer ook tot eigen conclusies te laten komen. Groot gaat nu terug naar de brief van Sweens (2)  genoemd en besproken in alinea 32.  De laatste alinea van die brief was als navolgend; “Mocht u beslissende argumenten hebben om de betwisting te handhaven, dan verzoek ik u mij dit tijdig voor de verificatievergadering te laten weten”. Die zin is al opmerkelijk omdat er nauwelijks nog tijd was om te reageren. Reacties behoeven vaak overleg (met adviseurs) en om een gedachte te bepalen, en met één dag ertussen is het vrij normaal dat een directeur van een bedrijf afspraken en een volle agenda heeft.

45.  Derhalve meent Groot te mogen veronderstellen, dat sprake was van een geplande zaak, behorende bij het geplande opzetje, dus dat het vooraf al zo was gepland, om Groot nauwelijks tijd voor een reactie te gunnen, zodat achteraf kon worden gesteld dat Groot wel was geïnformeerd, maar dat hij geen reactie had gegeven. Omdat die reactie niet werd gewenst was die tijd zo krap gesteld. Ook zal men overleg met adviseurs of i.d. uit hebben willen sluiten, als er al reactie kwam zou dat alleen  een overhaaste en impulsieve reactie kunnen zijn.

Recta nos malum