6.07 Plan in uitvoering

25.   Zeer kort daarop kreeg Groot een faxbrief van Sweens, dat hij een verificatievergadering aan het voorbereiden was en hij die voor 14–05-2004 in de planning had staan. Dit verraste Groot zeer omdat was afgesproken dat de faillissementen eigenlijk al opgeheven hadden moeten zijn, en er al langere tijd daarvoor was vastgesteld dat een verificatievergadering onnodig en dus niet zinnig was, dus niet zou worden gehouden. Dit dient vastgehouden en herinnerd te worden. Waarom houdt men een vergadering die volstrekt onnodig is, en dus zonde van de tijd en kosten. onnodige en nutteloze zaken doet niemand, dus kennelijk zou die vergadering voor iemand anders wel nuttig kan zijn geweest. Nu deze vergadering achteraf alleen nuttig was voor Bleeker, en er niemand anders  behalve Bleeker enig nut van kon hebben, wordt de schijn van het voornoemde opzetje duidelijk versterkt.

26.  Groot heeft op de brief van de curator gereageerd dat zo een vergadering niet zou worden gehouden en de curator beter die kosten en moeite kon besparen. Ook dat Groot niet zou komen, en meende dat hij daartoe ook niet verplicht zou kunnen worden. In opvolgende correspondentie over en weer (die compleet in kan worden gezien), heeft Groot o.a. aangegeven dat hij de vordering van Bleeker bestreed, en ook welke vorderingen onbestreden waren dus volle medewerking verleend, zodat de curator van de hoed en de rand wist. Over onbestreden vorderingen is daarna niet meer gesproken. Vast stond immers al dat concurrente crediteuren niets zouden gaan ontvangen.

27.   Wat dan vervolgens achteraf bezien apart en bijzonder was, was de actie die Sweens voerde om Groot naar die vergadering te krijgen. Per brief vroeg hij nadrukkelijk of Groot toch wilde komen, terwijl Groot al had gesteld dat hij zijn tijd niet ging verknoeien nu alles schriftelijk duidelijk gemaakt was waar hij niets aan toe had te voegen, in een overigens overbodige verificatie vergadering, en dat Groot dacht dat hij niet gedwongen kon worden. Natuurlijk wist Groot niet, en kon hij ook niet vermoeden, dat het opzetje alleen zou slagen als Groot daadwerkelijk aanwezig zou zijn.

28.  Nu Groot niet op gewenste wijze reageerde was het Sweens zelf die telefonisch contact met Groot op nam. Dit was uitzonderlijk en ook maar eenmalig. Normaal was dat Sweens onbereikbaar was, in bespreking of naar en zitting, en nooit terug belde, en een assistent mr. Mekkelholt en een secretaresse zaken liet regelen. Nietsvermoedende was dit wel bevreemdend maar Groot was niet zodanig achterdochtig dat dit alles bij een complot zou kunnen horen, en had daartoe ook geen redenen. Zaken waren immers geregeld. Daarbij wilde Groot op normale wijze medewerking verlenen, en zag het als zinloos om dwars te liggen of de curator in de wielen te rijden of uit te dagen.

29.   Het telefoongesprek met Sweens was op zich al weer bijzonder, Groot werd medegedeeld dat hij wettelijk verplicht was om die vergadering bij te wonen. Groot zou anders wetsovertreder zijn. Groot vroeg welke sancties hem dan zouden gaan overkomen, en dat hij die onder de ogen durfde te zien. Toen Sweens begreep dat dit een contra productieve insteek was, gooide hij het over een andere boeg. Hij dacht dat het voor Groot zelf van belang kon zijn, en dat Groot er later wel eens spijt van zou kunnen krijgen dat hij er niet zou zijn geweest. Het ging immers ook om zijn belangen. Hoewel Groot die belangen niet inzag en begreep, heeft hij wel gesteld dat hij er nog eens over na zou gaan denken. Achteraf ging Sweens zo ver omdat anders het opzetje gewoon zou mislukken. Sprake was van de oude vertrouwde truck, als bedreigen niet lukt, dan kan iets met beloften soms slagen.

30.   Daarbij kreeg Groot ruim een dag tevoren (12-05-2004  16 uur) een fax van Sweens (2) dat hij de vordering van Bleeker, in tegenstelling tot wat hij steeds had gesteld, niet langer bestreed. Plotsklaps leek hij, kennelijk zijn weekend daaraan besteed hebbende, het gehele dossier te hebben gelezen en had geconcludeerd dat Bleeker de zaak zou gaan winnen en Groot die zou gaan verliezen. Dit was een zeer bevreemdende conclusie, omdat zo ongeveer alle (onjuiste) stellingen van Bleeker werden nagepraat, en dus nog veel bevreemdender, hij geen enkel contact met Groot had opgenomen met de vraag wat Groot er van vond, en belangrijker, of Groot (voldoende) bewijsmateriaal achter de hand had. Dit was bij Sweens volledig onbekend, omdat dit in de zaak nog niet aan de orde was geweest.

31.   Bevreemdend was dit ook omdat Sweens nog op 7 mei 2004 (wat op een vrijdag was), in een fax had geschreven dat hij de vordering van Bleeker als bestreden had opgenomen in de crediteuren-lijsten die bij dat verslag waren gevoegd. Die lijst was opgemaakt naar aangeven van Groot dus gaf ook aan dat alles al was besproken, dus behoefden op de verificatievergadering niet meer aan de orde te komen en zijn dat ook niet geweest (in tegenstelling tot wat in het proces verbaal wordt beweerd) en was ook zinloos (net als de gehele vergadering) omdat vooraf al vaststond dat niemand iets zou gaan ontvangen.

32.  De brief van 12 mei 2004 van Sweens (2) kwam op woensdag, dus buiten het weekend zou Sweens in twee dagen het gehele dossier hebben bestudeerd, maar juist geen contact met de belangrijkste partij en persoon in dit gebeuren hebben opgenomen zijnde P. Groot, maar wél weer (kort daarvoor) de moeite hebben genomen om persoonlijk (uniek in het gehele gebeuren) Groot met zowel bedreigingen als beloftes, alles in het werk stellen om Groot maar naar die (op het oog nutteloze) vergadering te krijgen. Achteraf bezien dus  reden voor vele vragen, die zich eigenlijk wel gemakkelijk laten beantwoorden, maar hierbij slechts gesteld dat volstrekt tegengesteld werd gehandeld als wat Sweens had behoren te doen, namelijk met Groot in overleg gaan aangaande de kansen, en het beschikbare bewijs in die zaak.

33.   Een curator kan immers altijd begrijpen dat er niet zomaar voor de flauwe kul een rechtszaak aan wordt gespannen, zeker niet met relaties. Dan moet er al heel wat aan de hand zijn, en men er in de minne niet uit heeft kunnen komen. Als Sweens echt het dossier (grondig) had bestudeerd, wat naar Groot verondersteld niet het geval is, dan had Sweens er ook kennis van dat er aan de toerekenbare tekortkomingen van Bleeker niet behoefde te worden getwijfeld, en dat Duijsens / Bleeker de zaak al 3,5 jaar hadden getraineerd door middels getuigenverhoren, de inhoudelijk en onderling gemaakte afspraken tussen Groot en Bleeker aan te vechten, en zaken te ontkennen, en daar in voornoemde getuigenverhoren ook vrijelijk mijneed  te plegen.

34.   Vooral duidelijk dient te zijn dat deze rechtszaak door het faillissement van Lico Teelt BV. aan de curator was vervallen.  Hij was derhalve degene die het bewind voerde dus de feitelijke eigenaar was van Lico Teelt BV.  Groot was dus geen tegenpartij van Sweens, maar dat was Bleeker. Sweens diende te bepalen of hij, door met die rechtszaak door te gaan, extra geld in de boedel zou kunnen verkrijgen. Dan is het toch wel bijzonder vreemd om te gaan heulen met de vijand, en zonder enig nader onderzoek, of weerwoord van een feitelijke medestander, klakkeloos de beweringen van de tegenpartij aan te nemen en over te nemen. Verwacht mag immers worden dat je tegenpartij zaken verdraait en onjuist voorstelt.

35.  Anders wordt het natuurlijk als je, om welke reden dan ook, een gezamenlijke hekel hebt aan je feitelijke medestander, of dat je handjeklap maakt met je tegenstanders om de ander tezamen te pakken te nemen. Groot meent hierbij het zeer aannemelijk gemaakt te hebben dat dit laatste zo ongeveer de enige plausibele verklaring kan zijn. Zoals Groot curator Sweens heeft leren kennen, en voorgaand al beschreven, zal er in de tussen Duijsens en Sweens gemaakte afspraken, en deal, zeker een beloning c.q. bonus voor Sweens in het vooruitzicht zijn gesteld.

36.  Ook staat wel vast dat vooral Duijsens maar deels, en beperkt handelde uit zakelijke motieven, maar vooral uit rancune en agressie voor zaken die in het verleden hadden plaatsgevonden. Vanaf 1990  had interactie tegen de bedrijven (en dus ook Groot zelf) plaatsgevonden, die in 1994 er in resulteerde dat er in een bepaalde groepsvorming  van in vakkringen van Groot (zeer) invloedrijke lieden, die hebben getracht op (semi) legitieme gronden (en het opzetten van alle contracttelers tegen Groot) zijn gehele bedrijf (waarde enkele miljoenen guldens)  onder zijn handen vandaan te stelen, maar (toen kon het recht nog zegevieren), het deksel knalhard op de neus kregen, wat tot een schikking naar Groot toe had geleid tot een bedrag van omgerekend ca, 1.150.000 euro. Daarna zinden deze lieden op wraak en brachten dit al in meerdere zaken tot uiting. Duijsens behoorde, en behoort dus nog tot die groep. Daar waar deze zaken wat ongeloofwaardig klinken, kan de toenmalige advocaat van Groot, mr. van Meel, die na een tussen-poze van tien jaar rechterschap, nu weer voor Groot optreed, deze zaken bevestigen.

37.  Nu mensen en dus ook advocaten, curatoren (en ook rechters) op voorhand niet als vanzelfsprekendheid, goed en integer zijn, en soms het tegendeel wordt bewezen is het op zich niet vreemd, en dus navolgbaar, dat Duijsens en Sweens, kennelijk uit hetzelfde hout gesneden, elkaar hebben gevonden en beiden uit foute, oneigenlijke (en niet integere) motieven hebben gehandeld, waarmee zaken hierbij verklaard. Misschien zou het, alle zaken, voorgeschiedenis en omstandigheden bij elkaar genomen, zelfs vreemd zijn geweest als het anders was geweest.

Recta nos malum