6.06 Plan, onze hypothese

6.06   Het plan,  onze hypothese.

17.  De hypothese van Groot is dat Sweens inderdaad zaken ter afhandeling en opheffing voor had liggen, maar hoewel hij al pakweg de helft van de ontvangen 50.000 naar zichzelf weg had gedeclareerd, was het kennelijk verleidelijk om zijn woord te breken, nu dit niet duidelijk op schrift was gesteld, en zodoende door procederen de rest naar zichzelf toe te declareren. Zo is het uiteindelijk ook gegaan. Sweens heeft Groot (in aug. 2006) een proces aangedaan wat d.d. 27-01-10 door curator Sweens is verloren. Groot heeft er steeds versteld van gestaan hoe agressief en vijandig deze curator zich tegen Groot opstelde, zonder duidelijke redenen daarvan te kennen.

18.  In ieder geval had hij met Duijsens kennelijk een goede klik en vond die hem bereid, vermoedelijk, maar nooit na te gaan tegen afgesproken tegenprestatie, om die van dienst te zijn en gezamenlijk een plan te bedenken en uit te voeren ten nadele van Groot, wat Groot zoals al gesteld, onmogelijk kon vermoeden. De door Groot betaalde 50.000 euro zijn inderdaad integraal door de curator weggedeclareerd. Geen enkele crediteur heeft meer iets ontvangen. Het GUO wat het faillissement doordrukte, had een schikkingsaanbod van Groot van ca. 90.000 euro (ca. helft van vordering) die ze dus geheel hebben verspeeld nu zij ook niets hebben ontvangen.

19.  Wat er dan verder onderling tussen Sweens en Duijsens zich heeft afgespeeld en welke contacten er zijn geweest is onbekend, en zal ook nooit bekend worden nu beiden redenen hebben om de waarheid te verbloemen, en er bekend is dat ze daar geen morele beletsels bij ondervinden. Integendeel zelfs. Groot meent dat hij hiermee zaken en omstandigheden in redelijke mate heeft geschetst, ten allen tijde aan te vullen indien van belang of noodzakelijk. Groot zal zaken stellen die niet altijd ten volle bewijsbaar zijn, maar wel zeer aannemelijk.

20.  Ook reeds bekend en duidelijk is dat vooral Sweens zeer bekend is met vrijwel alle rechters in Alkmaar die met insolventie van doen hebben. Al vele jaren is hij curator in een veelheid aan faillissementen, waarbij hij dus afwisselend met de een na de ander, maar ook meerderen gelijktijdig, als “toezichthouder” (rechter commissaris), van doen heeft of heeft gehad. Duidelijk is dat het hemd daarbij nader is dan de rok, en er minder van toezicht sprake is en meer van faciliteren van zaken die naar de ervaring van Groot soms zeer discutabel kunnen zijn. Overigens is dit niet alleen kritiek van Groot, maar worden veel breder dit soort kritiek en bezwaren in algemene zin aangaande faillissementen en hun toezichthouders vernomen.

21.  Groot reconstrueert hierbij achteraf allerlei zaken die lange tijd niet bij hem bekend waren of die toen nog niet werden begrepen. Nu is duidelijk dat er een plan is gemaakt waar onderdeel van was dat Groot moest worden misleid. Men moest Groot er in laten lopen, zonder dat die ergens op bedacht zou zijn. Daarbij is ook wel duidelijk geworden dat dit geen dagelijkse routine was, en iets nog wel eens lastiger kan zijn dan het op het eerste gezicht lijkt. In dit geval was er zeker een complicatie want de rechter commissaris moest ook meewerken aan het geplande opzetje, maar nu niemand toezicht houdt op de toezichthouder, zag die er kennelijk geen probleem in , om de curator, waar een goede band mee was gegroeid, ter wille te zijn.

22.  Wat hier als zodanig speelde, zal als navolgend zijn geweest;  Duijsens meldde zich bij Sweens, met het verzoek tot erkenning van hun z.g. tegenvordering in de procedure. Sweens zal hebben gesteld dat hij hen wel ter wille wilde zijn (wat maakte het hem verder uit) maar dat  dit niet zou gaan leiden tot betaling vanuit de boedel, nu die ontoereikend zou zijn om aan concurrente crediteuren toe te komen, dus ondanks erkenning van de vordering van Bleeker, ook lege handen voor Bleeker. Tussen de brief van 23-03-2004 (1) van Duijsens aan Sweens en de verificatievergadering zit een periode van ca. 7 weken.  Wie na die brief het opzetje heeft bedacht zal onbekend blijven en ook de tegenprestatie etc. maar in die 7 weken is de gehele zaak opgezet, en tot uitvoering gebracht.

23.   Groot heeft gesteld dat zaken te kwader trouw zijn opgezet en uitgevoerd en zal dit moeten onderbouwen en bewijzen, of althans aannemelijk maken. Groot stelt dat hij de zaken die vreemd, niet normaal en niet in redelijkheid verklaarbaar zijn, op rij zal gaan zetten, en daarbij vermelden waarom iets vreemd of verdacht of iets in die context is, waarna de lezer van dit document zijn eigen oordeel kan geven of aangeven of hij / zij, mee kan gaan in de conclusies, en gevolgtrekkingen.

24.   Voor de goede orde, de brief van Bleeker van 23-03-2004 (1) kreeg Groot pas jaren later door toeval in handen. Drie weken later kreeg Groot een aansprakelijkheid-stelling van Duijsens, met een brief die slechts onjuistheden en foute aannames bevatte. Groot heeft die brief beantwoord en aangegeven dat hij het puur oneens was met Duijsens en waarom. Daarna vernam Groot niets meer en dacht dat zaken zogezegd overgewaaid waren totdat Groot 2,5 jaar later werd gedagvaard. Conclusies die Groot hieruit trekt zijn als navolgend. Als Duijsens eerst met Groot moest procederen voor een erkenning van de vordering, en dus ook bewijzen dat Bleeker geen wanprestatie had geleverd, dan zou hij dit niet gaan doen, niet alleen om de extra kosten, maar omdat dit mis zou gaan. Duijsens zou dus die aansprakelijkheid-stelling niet naar Groot hebben gezonden, als er op dat moment nog geen plan was geweest. Op het moment van verzending was het plan dus al klaar en voor uitvoering gereed, om een proces verbaal te gaan construeren wat de inhoudelijke behandeling van die zaak zou voorkomen.

Recta nos malum