5c.06 Procedures die daarna ontstonden.

Ook voor het juiste inzicht in zaken en verloop etc. een kort overzicht van alle zaken die daar uit zijn ontstaan, daarbij enkele eigen oordelen die door de tegenpartij heftig worden ontkend, en de stand van zaken zoals die nu is.  Een aantal zogezegde aannames, veronderstellingen (de schijn hebben van) hypothesen, enz. zullen zeer heftig worden ontkend en bestreden door het z.g. Bleeker kamp maar vooralsnog zonder enig bewijs. Verder houden we deze opsomming kort en zakelijk.  Onder nr.  14  zullen we zaken nog iets aanvullen en scherper stellen.

Door ons was een procedure ingesteld, door Bleeker een scheidsgerechtprocedure die niet door ging, Groot was dus eiser met mr. van Meel als advocaat en Bleeker gedaagde met Duijsens als advocaat. Als we Duijsens benoemen, benoemen we dus ook Bleeker nu hij die vertegenwoordigde, maar naar onze mening kunnen zaken Duijsens direct aangerekend worden en domineerde hij zijn z.g. cliënt, wat hij uitaard zal ontkennen. Hij verbergt zich ook steeds achter zijn cliënten, die willen dit, of verzoeken hem dat te doen, terwijl overduidelijk is dat Duijsens zelf de regie voert en de cliënten hem (slaafs) volgden.

Door Duijsens werd het Lico contract ter discussie gesteld, en stelde hij dat het Bleeker contract geldig had behoren te zijn om nog nader te benoemen redenen.  Dit heeft geleid tot getuigenverhoren waarin o.a. J. Burger stelde dat het contract van Groot voor hen niet redelijk en aannemelijk was en ze het Bleeker hadden afgeraden, wat  onjuist was. Hiermee heeft Duijsens de zaak 3,5 jaar weten te vertragen.   In latere instantie stelde hij dat Groot de vertragende factor was, puur onjuist, en tegengesteld aan de waarheid, zoals ongeveer alles wat hij stelde onjuist was.

In maart 2003 werd faillissement uitgesproken  waardoor de rechtszaak aan de curator verviel.  Kort daarna kwam er een tussenuitspraak waarin werd bepaald dat de rechter het enerzijds van beide contracten onbewezen achtte dat ze geldend waren, maar dat wel vast stond dat  Bleeker de teelt naar behoren uit had moeten voeren. Er zou een comparitie gaan komen (met poging om partijen tot een vergelijk te krijgen) waarbij werd aangegeven dat (zonder vergelijk)  partij Groot (lico)  de gelegenheid zou krijgen om bewijs van toerekenbare tekortkoming te leveren. Zoals bij beoordeling van de bij deze documentatie bijgevoegde bijlagen was dit bewijs duidelijk en afdoende aanwezig, maar op dat moment was nog niets ingebracht en was het dus ook bij Duijsens onbekend welke zaken duidelijk bewijsbaar op schrift waren gesteld.

Omdat Groot nog andere rechtszaken en veel andere zaken gaande had, heeft hij onderzoek ingesteld naar de firma Bleeker en kreeg daarbij duidelijke signalen dat het bedrijf zwaar was beleend en verhypothekeert, wat in zou houden dat na het winnen van de zaak, waar Groot op zich niet aan twijfelde,  er weinig incassomogelijkheden zouden blijken te zijn, zeker in een geforceerde executie situatie waar de bank voor zou gaan.  Groot schatte dat het leveren van bewijs, mogelijk ook horen van getuigen, en daarbij het weerleggen van reeksen leugens en verzinselen door Duijsens, nog enkele jaren zou gaan vergen, veel tijd zou gaan kosten, en een geschatte minimaal 30.000 euro juridische kosten.  Groot heeft derhalve de curator niet verzocht de zaak over te kopen. Curator Sweens stelde dat hij de zaak niet door wilde voeren, (om dezelfde redenen) wat in zou houden dat, als beide partijen niet meer zouden acteren, de zaak automatisch van de rol zou gaan verdwijnen dus uitgaan als een nachtkaars. Vaststaand is dat deze zaak nooit (tegen betaling) aan Groot is aangeboden, wat wel voor de hand had gelegen, nu daarmee immers de boedel zou worden gespekt. Een curator zal niet zonder reden zo een kans voorbij hebben laten gaan. Ook dit wijst op een handjeklap situatie met Duijsens.

De curator stelde zich vijandig op tegen Groot, chanteerde Groot voor 50.000 euro onder valse beloften die hij niet na kwam. Inmiddels was van Meel (advocaat van Groot)  rechter geworden in s’ Hertogenbosch, had zijn zaken overgedaan aan mr.  Sweep die banden aanknoopte met curator Sweens, Groot als cliënt afserveerde na duidelijke fouten te hebben gemaakt, en onjuiste stellingen had ingenomen. Meerdere zaken die Groot hier stelt zullen ongeloofwaardig zijn maar zijn in andere documenten uitgebreider en meer onderbouwd beschreven, en dus ook bewezen of aannemelijk gemaakt. Groot beperkt zich hier tot een opsomming, alleen om vragen dienaangaande voor te zijn. Dit  zijn in principe geen zaken die ter beoordeling voor liggen.

Terwijl Groot meende dat deze zaak automatisch een zachte dood zou sterven is Duijsens er in geslaagd om zaken in zijn voordeel omgewend te krijgen.  Dit was alleen mogelijk voor hem door de curator, en ook de rechter commissaris op zijn hand te krijgen. Duidelijk is dat hij daarin heeft weten te slagen. Welke beloftes daaraan ten grondslag lagen  zal voor altijd onbekend blijven. Door voornoemden is het plan gemaakt om middels een soort maas in de wet, Groot er in te laten lopen, om te voorkomen dat Groot gelegenheid zou krijgen om de wanprestatie van Bleeker aan te tonen.

Daartoe werd (tegen eerdere afspraken in) een zogezegde verificatievergadering ingesteld die volstrekt onnodig was, en naar later bleek kennelijk alleen ten behoeve van de Bleeker zaak was opgezet, waar Groot naar toe is gelokt waarna het belangrijke feit dat Groot ter vergadering de vordering van Bleeker had bestreden niet in het proces verbaal was vermeld en er ook andere belangrijke feiten weg werden gelaten en er voor was gezorgd dat er geen griffier of andere getuigen aanwezig waren.  Daarna hebben Duijsens en Sweens de lopende zaak officieel ten einde gebracht en was de weg vrij om Groot aan te spreken om de vermeende nog openstaande vordering van Bleeker geïnd te krijgen.

Duijsens dagvaardde Groot d.d. 18 juli 2006, en kort daarna (tegen alle afspraken in) dagvaardde ook curator Sweens Groot wegens vermeende persoonlijke aansprakelijkheid. Bevreemdend genoeg werd na 3,5 jaar in de Sweens zaak geoordeeld dat van een z.g. ernstig verwijt aangaande Groot geen sprake was, dit terwijl dit in de Bleeker zaak wel werd toegekend in een uitspraak van 27-08-2008.  

Wel werd gesteld dat die rechter (mevr. mr. Allegro) anders geoordeeld zou hebben indien Bleeker verwijtbaar tekort zou zijn geschoten, maar dit was niet in rechte vastgesteld.  Doordat er niets in het proces verbaal vermeld stond zou Groot de vordering hebben erkend  enz. Bevreemdend was dat zij zelf de zaak niet wilde beoordelen (in rechte vaststellen) of een bewijsopdracht gaf.  Dat zaken zeer wel niet konden kloppen moet haar duidelijk zijn geweest.  Verder was er reden genoeg om in hoger beroep te gaan.

Door Groot zijn er voorafgaande aan inhoudelijke behandeling van Hoger beroep (wat wel formeel was ingesteld) twee aparte procedures aangegaan omdat het wenselijk leek om zaken duidelijk te krijgen. Allereerst een aparte procedure om de verwijtbare tekortkoming van Bleeker in rechte vastgesteld te krijgen. Tegen de geldende regels in werd die zaak door dezelfde Allegro behandeld en “onontvankelijk” verklaard wat in andere instantie als onjuist werd bestempeld. Ook in hoger beroep leidde die zaak tot niets.

De andere procedure was een verzoek tot verbetering van het proces verbaal. Ook die zaak verliep negatief waarin de curator zich zeer partijdig opstelde. Ook in het opvolgende Hoger Beroep aangaande de uitspraak van 27-08-2008  wilde men niet tot beoordeling van de wanprestatie van Bleeker komen, en werden zaken doorgeschoven naar de zogezegde schadestaatprocedure  die op de negatieve uitspraken zou volgen en waar zaken dan zodanig nader worden beoordeeld dat de hoogte van het bedrag in rechte wordt vastgesteld. Ook in de eerste ronde, van die schadestaatprocedure, die inmiddels plaats heeft gevonden (uitspraak 30-06-2014), werden alle door Groot gestelde zaken afgewezen, en werd de teelt niet beoordeeld. In ieder geval zal deze rapportage in het Hoger beroep wat aanstaande is een mogelijke, c.q. belangrijke rol kunnen vervullen.

Het navolgende wil Groot hier nog op aanvullen. Het is hem, maar ook veel anderen gebleken dat de verhouding van curator tot rechter commissaris zijn doel voorbij schiet. Het zijn meer elkaars kompanen als dat er van kritisch toezicht sprake is, nu er ook vele kruisverbanden van meerdere curatoren met meerdere rechters als regel ontstaan.  Bij rechters geld de aanbeveling dat, omwille van objectiviteit en onpartijdigheid rechters geen opvolgende zaken doen van dezelfde partijen. In de zaken die Groot betreffen zien we dat directe collega rechters van hetzelfde team, die alle ook relaties met curatoren hebben elkaar kennelijk dekken en de hand boven het hooft houden en niet tot objectieve beoordeling (b.v. van de Bleeker teelt) willen komen waarbij b.v. Sweens ook een flinke vinger in de pap lijkt te hebben. Vooral het laatste oordeel bij de z.g. schadestaatprocedure is uitgesproken door de voorzitter van het handels en insolventie team, die dus in direct contact staat met de andere rechters (zijn team) die zich uitspraken, en vooral hun collega die het proces verbaal vervalste uit de wind houden. Onder 14 vullen we dit nog aan.

Hoofdstuk 6  is (ook) informatief bedoeld voor beter begrip van zaken. Geen bijlagen, geen vragen bij dit punt.

Recta nos malum