5c.05 Overleg etc. aangaande oplossing van de problemen, en rol van Duijsens.

Nadat de gegevens bekend waren en dus ook duidelijk dat de oogst dramatisch slecht was, en Groot al kon berekenen dat zijn schade in de tonnen zou gaan lopen, zijn er bij Bader op kantoor twee overleg rondes geweest. Dit dus op sterke voorspraak van J. Burger, die al direct nadat er bleek dat zaken er verkeerd uit zagen stelde dat er in overleg uit zou moeten te zijn, en te worden gekomen.

Er is tweemaal overleg gepleegd, naar de verslagen hebben we al verwezen en al bijgevoegd  als de bijlagen 3 g  en 3 h.  Hierbij was een mijnheer Straathof aanwezig  door Bader geïntroduceerd als correspondent van het scheidsgerecht, maar in dit geval slechts als waarnemer en verslaglegger gevraagd. Zijn verslagen hebben we later sterk ter discussie gesteld in twee nog beschikbare brieven,  vanwege onjuistheden en partijdige stellingen. Tijdens de tweede bijeenkomst was wel gezegd dat we met het verslag akkoord waren, maar met het uitgangspunt dat we tot elkaar zouden komen en ook was vooraf gesteld dat de verslagen niet een eigen leven zouden moeten gaan verkrijgen in rechtszaken, wat er wel van is gekomen.  Een loze afspraak dus.

Daarna ging dus elke partij daar uit gebruiken wat hem het beste uitkwam. Die balans sloeg later wel door naar onze zijde, doordat later diverse beweringen zijn gedaan die door de verslagen werden weersproken zoals er reeds enkele voorbeelden zijn gegeven. Metzelaar was ook bij die gesprekken aanwezig, maar pas daarna heeft Groot meer gedetailleerd kennis genomen van de juiste gang van zaken en het faxverkeer wat de feiten bevestigde.

Hoewel Groot het met de verslagleggingen niet eens was (wat op schrift staat) laten we dit buiten beschouwing en volgen de verslagen. Duidelijk blijkt dat Bleeker niet oplossingsgericht was en het Zwarte Pieten in het eerste gesprek al begon. Zo stelt Bleeker dat er in de partij Voque woekerziek zat. Wat daar verder dan van was, die partij was maar ca. 17 % van het totaal, terwijl de gehele oogst slecht was. Dan zou een oorzaak van de slechte oogst zijn dat er soorten door elkaar zaten. Inderdaad was de soort Batist vermengd met ca. 20 %  Monte Negro  wat evenwel ook maar ca 12 % van het totaal was.

Dan bagatelliseert Bleeker (in het verslag) het stikstof te kort. Lico had een grondmonster genomen, Bleeker nam dit niet serieus, maar nam zijn eigen monster van gelijke uitslag wel serieus. Hij zou direct  d.d. 22-07-1999 actie hebben ondernomen. In de opdracht fax zien we evenwel dat dit een week later was, hij had juist niet direct actie ondernomen maar veel te laat.  Kennelijk was Bleeker zich zeer goed van de eigen fouten bewust, weet ook dat daar bewijsbare en aantoonbare feiten zijn, en probeert te suggereren dat de discussie later is gestart en ze eerder hebben ingegrepen, wat nu net juist niet zo was, en veel verschil maakt, dus wat wij stellen als de werkelijke oorzaken probeert hij te camoufleren, en komt met allerlei andere zaken die volgens hem oorzaken zouden zijn en aan Groot verwijtbaar, zaken waar uitgebreid op terug zal worden gekomen, o.a. het niet gekookt zijn van het plantgoed.

Bleeker stelt ook dat monsters ter controle uit de leliebaan zijn gestoken die er goed uitzagen, en ook dat zijn eigen, dus zelf geteelde bollen er prima uitzagen.  Op zich was dit wel juist, de bollen waren gezond (wat op gezond plantgoed wijst), maar alleen omdat begin augustus er Temik was gestrooid en adequaat ingeregend, wat de wortelaaltjes heeft gedood waarna er weer nieuwe en goede en gezonde wortels zijn aangegroeid.  Dit deed verder dus niets toe of af aan de opbrengstgegevens die er niet om logen. Dat de beworteling nog redelijk was, behoort een normaal iets te zijn en niets bijzonders. Ook dat de veel te kleine bollen verder wél gezond waren  is niet zo bijzonder, en hoort normaal te zijn.  Dat de bollen veel te klein waren gebleven is iets waar niet over wordt gerept.

Waar Groot toen al zeer ontevreden over was, was dat dhr. Straathof, zich tegen de afspraken in, zich met inhoudelijke zaken ging bemoeien in een partijdige houding, die overigens ook bij Bader vrij evident was, zie laatste alinea op pag. 2. Hij riep in feite Lico ter verantwoording in een soort juridische benadering dat Groot niet formeler had gehandeld en wilde suggereren dat, doordat Groot niet sneller had gereageerd, en niet eerder het mes op tafel had gezet, dat Groot daar als het ware rechten mee zou hebben verspeeld.

Dit stond dus haakt op de intentie om allereerst het probleem te onderkennen, en dus vast te stellen dat Groot een grote strop had geleden, en daarna de verantwoording te leggen bij degenen die verantwoord waren, om vanuit die conclusie naar redelijkheid en billijkheid zaken op te gaan lossen.   

Duidelijk is in het verslag gesteld dat in het eerste gesprek de zogezegde standpunten uit zijn gewisseld, men niet nader tot elkaar was gekomen, men na zou gaan denken, maar vooral, dat beide partijen de intentie hebben (en volgens Groot ook hebben uitgesproken) “Dat ieder de intentie heeft om tot elkaar te komen”.

Met die gedachte ging ook Groot het tweede gesprek in, en gaf hij ook aan dat het verslag wat hem betrof wel kon. De gedachte van Groot was dat hij wel wat wilde schuiven als Bleeker dit ook zou doen. Dit gesprek nam evenwel meerdere volstrekt onverwachte wendingen. Daarbij zijn zaken uit het verslag te vernemen, maar is sprake van onvolledige en onduidelijke weergave, waarop Groot toen ook schriftelijk heeft gereageerd.

Twee zaken worden niet of nauwelijks vermeld. Zo was in het eerste gesprek het uitgangspunt dat Bleeker het contract van Lico had ondertekend, dat meende hij zelf ook en was ook door hem toegezegd. Dit bleek door hem te zijn vergeten en dit was Lico dan weer ontgaan. Bleeker was na het eerste gesprek tot die ontdekking gekomen,  en stelde dit in het tweede gesprek ter discussie wat in het verslag niet is vermeld.

Een andere zeer bijzondere ontdekking was dat er door Lico 5 % te veel was opgemeten. Kennelijk was op het z.g. België perceel een stuk van Bleeker zelf per abuis meegemeten.  Dit was bij Bleeker bekend die het kennelijk opportuun had gevonden om dit te verzwijgen en zodoende ca. 10.000 euro aan Lico te ontstelen. In de bijeenkomst van 06-01-2000  erkende hij dit en wilde dit aanwenden als schikking. Groot was daar zeer verrast en verbolgen over en is dat nog steeds. Dit was gewoon dieverij. Wel is toen besloten dat dit zou worden gecorrigeerd maar dit is tot aan vandaag nog nooit gebeurd.

De discussie over de geldigheid van het contract van Lico is dus niet vermeld, terwijl die zaak juist een hot item was, en dit juist een eigen leven is gaan leiden. In dit contract sluit Groot behandeling van geschillen door het scheidsgerecht uit en stelt een eigen arbitrage commissie voor. Bleeker wilde  de zaak juist voor het scheidsgerecht brengen en wilde verder gewoon niets. Bleeker was dus veel militanter dan de vorige keer,  en gooide feitelijk juist alle deuren dicht. Voor Groot, een op dat moment onverklaarbare negatieve wending van het gesprek.

Dit was voor Groot onbegrijpelijk en onverklaarbaar. Groot is kort daarna persoonlijk naar Bader gegaan en heeft met  Bader sr, gesproken. Daar heeft Groot vernomen hoe zaken in werkelijkheid waren gegaan.  Voor de goede orde en het goede begrip, dienen enkele zaken duidelijk te zijn. Tot twee maal toe heeft men, eerst in 1990 met betrokkenheid van C.N.B., en in 1994 wederom CNB, maar in combinatie met Bloembollenbureau Cebeco getracht om Groot zijn handel te ontstelen, nu die handel lucratief was, en men die handel waard vond om zogezegd te ritselen. Daar was advocaat Venbroek, als advocaat van CNB zeer actief bij betrokken, en bij Cebeco advocaat Wolf, van kantoor Barends en Kransz, en toenmalig ook collega van Duijsens die dus later in de Bleeker zaak de hoofdrol is gaan spelen, en die ook al eerder bij een en ander betrokken was.

Nadat zowel CNB als Cebeco  vanwege onrechtmatig handelen in rechte het onderspit hadden gedolven, bleven ze zeer vijandig en werden er regelmatig partijen tegen Groot opgezet als de kans zich voordeed en werden lieden er toe aan gezet om zich (vrijwel steeds ten nadele van zichzelf) in rechtszaken tegen Groot te keren in zaken die gemakkelijk onderling opgelost hadden kunnen worden. Dit bleek in dit geval ook gaande te zijn, en de werkelijke oorzaak dat zaken niet zijn opgelost, maar dat deze juist op scherp zijn gezet.

Het gesprek met  Bader sr. was geen prettig gesprek, eigenlijk ronduit onplezierig, en hun partijdigheid was evident, maar er bleek ook al langere tijd gaande te zijn, dat J. Burger onze klanten in probeerde te palmen. Niet lang daarna kreeg Groot een schrijven van Bader, dat ze niet meer voor Groot wilden bemiddelen en gedroegen zich ook zeer vijandig en agressief, hoewel niet lang daarna Bader Bemiddeling, kennelijk niet van weelde,  plotsklaps zogezegd ten onder ging.

Bader sr. stelde in het gesprek, dat ze als bemiddelaar een aantal problemen hadden die in rechtszaken waren ontaard, daarbij had hij Venbroek als advocaat en er vertrouwen in dat die hun zaken op zou gaan lossen. Vanwege die (goede) relatie had hij het goed geacht om de Bleeker zaak aan Venbroek voor te leggen en advies te vragen.  Groot heeft gesteld dat zijn stellige mening was dat hij zijn boekje te buiten ging door als bemiddelaar ten behoeve van één partij te acteren.

Venbroek had die (nieuwe) kans aangegrepen om nadrukkelijk te adviseren om niets te gaan regelen, maar de zaak voor te leggen aan het scheidsgerecht. Tot dan toe had het scheidsgerecht altijd ten voordele van contracttelers geoordeeld, op basis van de stelling dat bij slechte teelt kennelijk het toezicht en de begeleiding te kort waren geschoten, en de kwekers zelf niet vakkundig waren, en geen enkele verantwoordelijkheid droegen. .

Groot contracteerde met vakkundige kwekers en vond die stelling die inmiddels als jurisprudentie gold zeer onredelijk. Dit was dus de reden dat hij het scheidsgerecht in zijn contract uitsloot. Bader had het z.g. Venbroek advies aan Bleeker doorgegeven. Aanvullend had Venbroek gesteld dat hij al zoveel gedoe met Lico had gehad dat hij geen advocaat voor Bleeker wilde zijn, maar had zijn collega Duijsens benaderd die er wel voor wilde gaan. Die zaken waren dus geregeld en besproken in de tussenliggende periode van de twee besprekingen.  Daarmee had Groot dus de verklaring voor de verrassende wending die zaken namen en wat er aan de basis lag van het feitelijke slagveld wat daarna is ontstaan.

De stelling van Groot is dat Bader zich zeer partijdig heeft opgesteld, wat hem verwijtbaar is. Dat feitelijke vijanden van Groot een hernieuwde kans zagen om alsnog rancuneus en agressief tegen Groot te gaan handelen, en dat Bleeker zelf erkende dat hij zich onrechtmatig geld toe had willen eigenen dus feitelijk een dief was. Deze zaken dienen in de algemene beoordeling van zaken op de achtergrond mee te spelen. De verslagen geven duidelijk meerdere feiten en de aanwezige sfeer weer.

Vervolgens is eerst door Groot een rechtszaak ingesteld op basis van toerekenbare tekortkoming, en kort daarna een verzoek van Bleeker tot beoordeling door het scheidsgerecht, die eerst om een schriftelijk verweer vroegen en later de zaak niet wilden behandelen. Van belang hierbij is nog het navolgende.  D.d. 22 jan. 2000 is Groot nog  gebeld door dhr. Straathof (voornoemd) met de vraag wat het zogezegde eindbod van Groot zou zijn, als schikking. Van de totale afgesproken, en nog ongecorrigeerde contractteelt vergoeding, had Groot 1/3 betaald, Groot heeft als antwoord gegeven dat hij, om langdurige juridische procedures te voorkomen, van de overige 2/3, nog 1/3 wilde betalen als zogezegd eindbod. Dit had Bleeker toen derhalve ook omgaand kunnen ontvangen. Kennelijk op dringend advies van Duijsens en met Venbroek op de achtergrond daarbij, heeft Bleeker dit  afgewezen.

Bijlagen;  

Verslagen zijn al ingebracht als  3 g en 3 h.

5 a    Kladnotities van berekeningen bij onderhandelingen.

5 b.    Bewijs dat Groot ver wilde gaan met schikkingsvoorstel.

vragen;

5  /  1     Op basis van de verslagen en uitleg van Groot

Is u van mening dat een IVB zoals Bader,  zelf condities kan stellen tussen partijen en adviezen geven over juridische aangelegenheden op partijdige basis?

5 / 2      Beoordeeld u de houding van Bleeker als redelijk, billijk en constructief, of juist tegengesteld.

Recta nos malum