5c.04 Beoordeling van de inhoudelijke contractteelt-overeenkomst en de zaken die daaromtrent speelden.

Hierbij voegen we een item toe, waar veel gedoe mee en over is geweest, ons inziens ten onrechte. Als dat gedoe er niet was geweest zouden zaken waarschijnlijk totaal anders zijn gelopen, omdat de procedure dan met meerdere jaren zou zijn bekort. Het bijzondere is dat er van alles van is gezegd en beweerd, en er vrijelijk mijneed is gepleegd dienaangaande, en er veel verwarring is gesticht en er is gedaan of Groot een onbehoorlijk contract hanteerde, zonder dat er ooit door iemand een objectieve beoordeling is gemaakt.  Groot zou deze gelegenheid te baat willen nemen, om enige tijd aan dit item te geven, en te verzoeken  een (waarde) oordeel weer te geven, nu hier sprake is van ruis op de lijn en verwarring. Mocht dit moeilijk zijn of niet slagen dan is het niet van absolute essentie. (zie bijlagen).

De kwestie hier is dat Groot reeds meerdere jaren een eigen contract hanteerde, dit was ook bij J. Burger bekend, die eerder bijvoorbeeld bij Jacob Douwe Dokter had gecontracteerd, en dit gebruikt. Inmiddels, dus jaren later, had Bader ook een contract in elkaar laten zetten, zoals ook Hobaho dit al langere tijd had.  Op enig moment (de bollen waren al geplant), wilde Groot zijn contract getekend hebben, en Bader meende dat het door hem opgestelde contract het onderliggende document moest zijn. Met Bleeker of Bader waren daarover geen voorafgaande afspraken gemaakt. Groot achtte het hergebruik als vanzelfsprekend. Bader ontraadde Bleeker evenwel om ons contract te tekenen zonder te motiveren waarom, en Groot weigerde, overigens wel gemotiveerd, om het Bader contract te tekenen.  Een dus door Bader veroorzaakte patstelling.

Groot is van mening dat Bader zich neutraal tussen partijen op diende te stellen, terwijl Bader dit niet deed maar het eigen contract opdrong en ons contract afraadde.  Bader stelde het bij Bleeker voor als dat ons contract onbehoorlijke elementen in zich had, en stelde zich derhalve partijdig op.  Onze mening was juist het tegengestelde, ons contract gaf beide partijen een betere bescherming tegen mogelijke eventualiteiten en calamiteiten.

Daarbij kwamen de contracten op meerdere punten wel overeen, de verschilpunten zou u dus dienen te beoordelen om tot een mening te komen.  de verschilpunten betroffen, een bescherming van beide partijen in geval van insolventie, een richtlijn tot het komen van oplossen van (eventuele) geschillen, en verantwoording van de teler in geval van daadwerkelijk aan hem toe te rekenen calamiteiten.

Dat het maken van een contract tussen de beide contractpartijen geen uitzonderlijke zaak is, bewijst het contract van “De Jong Lelies” .  Toen Groot zijn contract opmaakte was Groot er onbekend mee dat bij De Jong Lelies dit eigen contract bij hen al bestond. Pas toen de procedures tussen Bleeker en Groot al jaren gaande waren,  en Groot had gevraagd aan  hun directeur W.v.d. Kooy, welk contract zij hanteerden heeft Groot een model van hem gekregen. (bijlage)

Opmerkelijk is dat De Jong Lelies in feite de zaken nagenoeg uniform aan Groot heeft opgesteld, althans de punten die geschilpunten met het Bader contract zouden zijn, hoewel die geschilpunten nooit concreet zijn benoemd.  De Jong Lelies en Groot stellen dat zij gezond plantgoed behoren te leveren. DJL stelt er expliciet bij “niet gekookt” , een zaak waarvan Bleeker stelde dat koken een verplichting zou zijn.  Zowel Groot als DJL stellen dat,  als zij (zelf) niet (tijdig) betalen, dat de kweker het geteelde product als zekerheid onder zich mag houden. Een zekerheid dus ten behoeve van de tegenpartij, die het Bader contract (b.v. voor Bleeker) niet bood (en Lico wel), en ook zeer opmerkelijk onder punt 17 sluit ook DJL het scheidsgerecht uit en stelt dat geschillen door een eigen geschillencommissie  worden beslecht, wat kennelijk het grootste bezwaar van Bader en Bleeker was.  Als het contract van Groot een onbehoorlijk contract was, was het contract van DJL dat ook.  

Bleeker zou het contract van Groot volgens toezegging alsnog gaan tekenen maar heeft dit niet gedaan, wat ons was ontgaan, en ontkende dit later.   Daarna was hun stelling dat ze er zo ongeveer vrij in waren om de teelt niet naar behoren uit te oefenen, omdat het contract niet was ondertekend. Hun stelling was evenwel dat zij zich confirmeerden aan het Bader contract, waar ook in stond dat een  inspanning en tegenprestatie moest worden geleverd.  Nu zij zich eens met het Bader contract verklaarden konden ze daar wél op aangesproken worden.

Een bepaald punt was daarbij ook dat in het Bader contract stond dat het plantgoed o.a. gekookt aangeleverd moest worden, terwijl Groot stelt dat dit een zaak is zoals de contractpartijen die overeenkomen. Daarover later nog meer.  Deze opstelling van Bleeker heeft er toe geleid dat er eerst getuigenverhoren plaats hebben gevonden aangaande  de geldigheid van enig contract. Daarbij werd door J. Burger, die inmiddels een vijandige getuige was geworden, niet de waarheid gezegd (wat mijneed heet).

De uitkomst na drie en een half jaar procederen was dat kennelijk beide contracten niet  geldend waren, maar dat wel vast stond dat Bleeker een deugdelijke tegenprestatie diende te leveren. Indien Groot het bewijs kon leveren (bewijsopdracht) dat Bleeker zijn teelt niet of onvoldoende goed uit had gevoerd zou in het voordeel van Groot beslist gaan worden. Die zaak is verstoord doordat een curator daarover de beslissing kreeg.

Dat b.v. in en verkoopbureaus zelf een contract opstellen zoals Bader en Hobaho, is als service bedoeld omdat zij menen dat veel kwekers niet voldoende capabel zijn zoiets deugdelijk op te stellen.  Verder is het dus ook niet bijzonder of uitzonderlijk dat partijen een eigen contract hanteren.  Groot brengt  dienaangaande dus het contract van De Jong Lelies in, waar bijvoorbeeld ook expliciet in staat dat plantgoed “niet gekookt, en niet ontsmet”wordt geleverd.  Wat ze stellen is dat dit hun eigen keuze en beslissing is.

De vraag bij dezen is om,  vanuit eigen kennis en ervaring, de beide contracten te beoordelen en er een mening op te baseren.

Bijlagen,

4  a   Contact wat Bader hanteerde.

4 b    Contract wat  Lico  hanteerde.

4 c    Contract van de Jong Lelies.

De vragen bij dezen zullen gaan zijn;

  1.   Acht u het contract van Groot deugdelijk en bruikbaar en / of beter of slechter dan dat van Bader?.

2.   Heeft Bader recht en reden om contractpartijen te beïnvloeden of condities op te dringen aan enige partij, die een partij zelf ongewenst acht of niet aan de orde zijnde?.

Recta nos malum