5c.03.3b Oogstgegevens

Na ontvangst van de door Bleeker klaargemaakte bollen, kort voor 15 dec. 1999  heeft Groot daar een overzicht van gemaakt, verdeeld over 6 pagina’s.  Met een bijgaande brief zijn die naar Bleeker gefaxt, met de mededeling dat de oogst zodanig tegenvallend was dat er kennelijk zaken mis waren gegaan, en dat Lico van mening was dat zaken besproken dienden te worden.

Als eerste reactie heeft Frans Bleeker  handgeschreven er een reeks van opmerkingen bijgeschreven.  Nu die van hem afkomstig zijn en hij ook heeft erkent dat het zijn handschrift is, kunnen we vaststellen dat het door hem opgemerkte, als tussen partijen vastgesteld en dus als vaststaand kan worden aangenomen. Dit wordt zo duidelijk gesteld omdat Duijsens / Bleeker in latere instantie, steeds met  andere beweringen kwam, of de vastgestelde feiten anders voorstelt of doodzweeg c.q. negeerde.

Bij zijn handgeschreven opmerkingen worden de percelen opgedeeld in NL (Nederland) en B (België) en geeft hij aan in welke percelen er licht en waar zwaar kiek in voorkwam en zo ook met Woekerziek.  In latere instantie is dit door Groot overgezet op basis van de z.g. Frans Bleeker gegevens, op één overzichtelijk A viertje.  Dit ook voorzien van enkele opmerkingen. Vooruitlopende op latere onderdelen geven we nu reeds aan dat latere beweringen van  Bleeker worden gelogenstraft. Zo zou 60 % van de percelen onder de gele kiek hebben gezeten.  Uit het overzicht blijkt dat dit ca. 30 % was, waarvan 17 % bemerkt als zwaar kiek.  Bij woekerziek zien we iets vergelijkbaars, 30 % waarbij 14 % zwaar woekerziek.  

Deze zaken werden later aangemerkt als oorzaken van de halve oogst wat dan weer aan het slechte plantgoed was te wijten. Evenwel, duidelijk blijkt hier dat die zaken in 2/3 van de percelen niet voor kwam, terwijl de oogst navenant slecht was. Die zaken konden dus alleen daarom al geen oorzaak zijn. (iets wat niet voorkomt kan geen oorzaak zijn) Daar komt het navolgende bij.  Nu zaken in een overzichtelijk overzicht waren geplaatst, bleek dat beide zaken in het z.g. België perceel niet voorkwamen. Op dat perceel waren de bollen navenant slecht, en zoals Bleeker zelf stelde, ook zijn oogst was op dat perceel “niet al te best”

Bijlagen;,

3 j    Overzicht teeltgegeven  6 pagina’s

3 k    Gegeven in overzicht van 1 A 4.

vragen;   

3 / 1    Groot heeft onderbouwd aangegeven dat er  door een combinatie van zaken een groeistilstand heeft voorgedaan.  Kunt u die onderbouwing en bewijsvoering volgen en steunen?

3 /  2    Er was een halve oogst. Dat behoeft niet te worden bewezen. Die  heeft uiteraard ook een oorzaak gehad.  Een slechte oogst komt door te weinig groei of een groeistilstand, wat altijd een oorzaak heeft. Acht u voldoende aannemelijk c.q. bewezen dat de groeistilstand, veroorzaakt door de combinatie van veel te weinig stikstof, niet beregenen terwijl wel nodig, en schade aan wortels door grondaaltjes, dit hebben veroorzaakt.

Indien u de onderbouwing van Groot steunt zijn de navolgende vragen niet van belang!.

3  /   3.  U kent de bestrijding van Bleeker; acht u die steekhoudend en zo ja, op basis van welke motivering.

3  /  4    Bleeker sjoemelt met data en feiten. Hij stelt dat hij adequaat handelde om een klein euvel te verhelpen. (zonder verdere motivering en bewijs).  Is dit ook uw indruk, was het een klein euvel, stelt hij zaken conform de aangetoonde feiten,  en is twee weken later handelen als iedere dag telt adequaat. (hij had immers in twee dagen kunnen handelen i.p.v. twee weken, zoals hij zelf stelt).

Recta nos malum