5c.03.3a Beoordeling van de teelt

Dat het in feite goed mis was met de oogst zal inmiddels al duidelijk zijn.  Wat wij hierbij gaan beschrijven is onze versie / onze kant van het verhaal.  Nu Bleeker een andere versie heeft en anders beweert, dienen de bewijzen en de aannemelijkheid van zaken de doorslag te geven, en vakkundig en met kennis van zaken te worden beoordeeld. Daarbij stellen we ook nu reeds dat u allerlei beweringen etc. tegen gaat komen vanuit het Bleeker kamp, die een leek op de mouw zijn te spelden, maar een vakkundig teler niet, maar ook tegenstrijdige beweringen, van Bleeker,  dus zaken die haaks staan op eerder beweerde zaken.

Dit onderdeel is ongeveer het belangrijkste en ook het onderdeel waar hoofdzakelijk de discussie over gaat, en waar beide partijen verschillende versies van hebben. Dit onderdeel krijgt dus een gedegen en gedetailleerde behandeling. Bleeker is nadrukkelijk uitgenodigd om zijn zienswijzen in te brengen maar heeft kennelijke redenen om niet mee te werken.  Verweren of wat daar voor geld zijn evenwel in gerechtelijke stukken door Bleeker ingebracht dus worden ook weergegeven en van commentaar voorzien.   

Houvast hierbij bieden twee verslagen  die we ook in latere instantie tegen gaan komen. Opgetekend uit de mond van Bleeker zelf  is opgetekend  (verslag 31-12-1999) “De heer Bleeker stelt dat hij iedere week de teelt in de gaten hield bij de verschillende percelen, en dat het er allemaal prima bij stond”.   Tot hoe lang het er prima bij heeft gestaan wordt niet vermeld en is dus onduidelijk. Duidelijk is dus hierbij wél, dat de opkomst normaal goed is geweest, (in tegenstelling tot wat later beweerd werd en wordt)  en dat het gewas er in de beleving van Bleeker zelf voor langere tijd goed bij heeft gestaan.  Dit correspondeert met de eigen waarneming.

Ca. eerste helft juni kwam Metzelaar ter plaatse om te bezien of zaken goed gingen. Metzelaar beoordeeld alle percelen en ook aangekochte percelen bij anderen dus ziet snel of de stand afwijkend is van andere percelen. Hij constateerde en concludeerde dat de gewaskleur niet goed was, over de gehele linie, en er een kennelijk gebrek was, met als meest waarschijnlijke gebrek een stikstof te kort. Metzelaar hield contact met Bleeker jr. (Frans) en heeft die ter plekke daarover telefonisch geïnformeerd.  Frans Bleeker weersprak dat er een te kort kon zijn en meende dat alles in orde was, en volgde dus het verzoek tot bijmesten niet op.

Doorgaans bezocht Metzelaar  de percelen om de twee a drie weken, maar deze waren zeer ver van huis en ook uit de route om te combineren, dus stonden die bezoeken op eens per maand gepland. Nu evenwel Metzelaar zich zorgen maakte ging hij na twee weken wederom de teelt bezien en constateerde dat het aanzicht zich verslechterde. Hij kreeg evenwel na contact hierover Bleeker niet in beweging nu die meende dat alles in orde was. Daarbij werd duidelijk dat zij de teelt zelf niet uitvoerden maar de teelt, kennelijk voor een lagere prijs, “all in”  onder aan had laten nemen, of zogezegd gesubcontracteerd, door de landeigenaar.  Een dergelijke situatie is niet regulier en geeft naar onze mening ook meer kans op fouten, nu het over meerdere schijven bleek te gaan.

Door Metzelaar is een bewaard gebleven fax gestuurd naar Bleeker waarin hij Bleeker verzoekt om een totaal onderzoek te laten doen dus blad en grond. Die is ongedateerd maar moet eind juni of begin juli zijn verzonden, waarna Bleeker kennelijk heeft bericht dat hij dit onnodig vond.  Voor de goede orde en duidelijkheid, er waren toen al een paar weken verstreken nadat Metzelaar  contact met Bleeker had gehad, en gemeld dat er een kennelijk gebrek leek te zijn.  Metzelaar heeft dit ook op schrift gesteld en kan dit onder ede herhalen. De volgorde moet dus zijn geweest:  1.  Metzelaar stelde F. Bleeker in kennis van het geconstateerde probleem. F. Bleeker stelde dat dit probleem er volgens hem niet was.  2. Metzelaar stuurde hem voornoemde fax, F. Bleeker weigerde dit verzoek op te volgen, 3.  Metzelaar stelde tegen F. Bleeker dat hij dan zelf een monster ging laten trekken.  F. Bleeker was daar dus mee bekend zoals later ook is gebleken.  Rekening houdende met de tijd dat een monster onderweg is, en de ontvangstdatum van 21 -juli 1999 was, staat wel vast dat deze fax ca, begin juni (uiterlijk) moet zijn verzonden.

Nu Bleeker niet aan wilde nemen dat er zaken mis gingen, en Metzelaar zich zorgen maakte heeft die derhalve dus het eigen initiatief genomen om een grondanalyse te laten nemen, nu Bleeker dit niet wilde gaan doen. Later verweet Bleeker overigens dat Metzelaar eigengereid had gehandeld, en eigenlijk daartoe niet bevoegd was. Inderdaad kan worden gesteld dat dit ook maar één maal bij Lico is voorgekomen en dus ook zeer uitzonderlijk was. Later heeft Duijsens in twijfel getrokken of de monsters wel daadwerkelijk en op de juiste percelen waren genomen, kennelijk om twijfel te zaaien, maar  dit toont alleen aan dat Duijsens geen middel en geen onwaarheid schuwt. De zekerheid dat de monsters wel en juist zijn genomen wordt overduidelijk bewezen, ook en vooral door de reactie op de uitslag door F. Bleeker zelf.  Uit de handgeschreven opmerkingen van hem, blijkt dat hij op dat moment er niet aan twijfelt dat monster daadwerkelijk en juist zijn genomen. Dat Duijsens rauwelings, en rucksichtlös en willens en wetens onwaarheden in brengt is een feitelijk gegeven wat men in dient te calculeren, en eigenlijk als uitgangspunt kan nemen.

Over de exacte gang van zaken stelt Metzelaar dus andere zaken dan Bleeker zelf.  Vast staat dat Metzelaar  al langere tijd, ca. een maand, Bleeker in beweging probeerde te krijgen. Hij twijfelde ook aan de communicatie van Bleeker en Laarakkers (de feitelijke teler), en ook of Bleeker het perceel wel regelmatig bezocht.  Op verzoek van Groot heeft Metzelaar zaken globaal op schrift gezet in eigen woorden. Dit is van begin januari 2000. Deze verklaring had op punten duidelijker kunnen zijn.  Dat  Bleeker allerlei zaken zou gaan verdraaien en ontkennen was op dat moment onbekend en onverwacht.  

Metzelaar stelt o.a. dat hij op 22 juli (na ontvangst van de analyse uitslag) Bleeker dringend verzocht om stikstof te strooien, Bleeker wilde het eigen monster afwachten, maar dacht kennelijk ook dat Laarakkers al iets had gestrooid. Metzelaar schrijft dat hij op 2 augustus 1999 het perceel bezocht, op een moment dat Laarakkers net de laatste kunstmest (stikstof) strooide. Die erkende dat hij voor de eerste maal bijmestte.  Metzelaar had ook geconstateerd dat de wortels waren aangevreten door grondaaltjes. Ter plaatse heeft hij Laarakkers verzocht Temik te strooien wat Laarakkers heeft gedaan en hij is daarna gaan beregenen.  Kennelijk hebben ze ook proefgestoken en samen geconcludeerd dat Temik nodig was.

Bleeker nam het Metzelaar kwalijk dat hij de Temik opdracht had gegeven, dat was een zaak van Bleeker zelf, maar Bleeker ontkende niet de noodzaak van het strooien en erkende dus impliciet dat het nodig was dus dat (op dat moment) de beworteling slecht was.  Een aantal zaken staan dus wel vast. 22 juli 1999 wilde Bleeker de noodzaak van Stikstof strooien (nog) niet aannemen, en niet eerden dan 2 augustus, (11 dagen later)  is pas actie ondernomen.  Vakgenoten weten dat er daarna enige tijd overheen gaat voordat zaken effect hebben.

Metzelaar had Bleeker  dus vooraf in kennis gesteld van de monstername, die Metzelaar heeft laten doen omdat Bleeker het vertikte, en waarbij hij zowel een grondanalyse als ook een bladtest had laten doen. De uitslagen van Metzelaar kwamen binnen d.d. 21 juli 1999.  Een dergelijke monsterneming duurt ongeveer 10 dagen vanaf monstername tot uitslag. Dit is feitelijk vaststaand nu dit document, zijnde de uitslagen, als bewijs gelden. Die uitslagen zijn door Metzelaar aan Bleeker gefaxt.  Die heeft  er handgeschreven opmerkingen op geschreven, waarbij hij de uitslag in twijfel trekt, en ze “vertekend” noemt. Hij schrijft dan wel dat hij inmiddels toch een eigen monster, een spoedmonster van alleen stikstof heeft laten nemen, om zijn gelijk aan te tonen.

Die handgeschreven opmerkingen zijn uiteraard in de bewijsvoering zeer waardevol, nu Bleeker die zaken en gang van zaken in later stadium ontkende en allerlei feiten is gaan verdraaien.  Dit document bevestigd dus dat er al langere tijd een discussie gaande was, ook dat Bleeker feitelijk de teeltinstructies weigerde uit te voeren, in een kennelijke miscommunicatie met de z.g. onderaannemer.  Ook bewijst dit dat Metzelaar kennelijk oprecht bezorgd was, daar al enige tijd zonder resultaat over communiceerde met F. Bleeker, vandaar zijn feitelijke eigengereidheid door zelf in te grijpen, en ook dat Bleeker toen nog steeds geloofde dat er weinig aan de hand was. Al die zaken zijn in latere instantie, gedurende de procedures door Bleeker ontkend en door Duijsens verdraaid, wat nog zijn aandacht zal verkrijgen.

Bleeker draaide om als een blad van een boom toen ook het door hem genomen monster een groot te kort aan stikstof aangaf.  d.d.  30-07-1999  stuurt hij een fax aan onderaannemer Laarakkers, met instructies tot bijmesten van direct opneembare Stikstof, en beregening op het gehele perceel (zullen beide percelen zijn). Die instructies zijn dus zoals aangegeven, binnen enkele dagen uitgevoerd. Bleeker was er later nog  weer flink boos over dat Metzelaar er ook zelf Laarakkers voor had benaderd. Dit levert evenwel wél het bewijs op dat die discussie plaats had gevonden, en nog gaande was. Dit vinden we ook nog terug in documenten.

Zoals gesteld was het stikstof tekort niet het enige probleem, Metzelaar had ook waargenomen dat het mis zat met de wortels en beworteling.  Het perceel bleek een grondaaltjes probleem te hebben. Daar kwam bij dat sprake was van een warme droge zomer en Laarakkers kennelijk gokte op regenbuien die niet kwamen, dus niet alleen waren er tekorten aan mest en bestrijdingsmiddelen, maar die waren door de droogte ook niet opneembaar. Tijdens de bijmesting zijn ook de grondaaltjes met Temik bestreden en is beregening uitgevoerd. Voordat die zaken werkten en effect hadden was het bijna half augustus, vanaf half juni, pakweg 7 weken lang, in de tijd dat de groei zich dient te voltrekken, is er sprake van een groeistilstand geweest.

Groot had dat jaar ca. tien contracttelers (Bleeker teelde ca. 12 % van de totaaloppervlakte).  Dit waren alle kundige en professionele kwekers, die de teeltmaatregelen tijdig uitvoerden, dus bij hen had Metzelaar weinig op of aanmerkingen, evenwel, als Metzelaar meende dat iets nog iets beter kon, werd die aanwijzing, tip of hint door iedereen direct uitgevoerd. Dat en kweker waar alle signalen al op rood stonden dwars voor de kar ging liggen, was dus zeer uniek en uitzonderlijk, en heeft Groot uiteindelijk ten gronde gericht. Nu Bleeker dit zich inmiddels bewust is, en hij zijn verantwoording wil ontlopen, worden alle feiten verdraaid of ontkend. Derhalve zijn de bewaard gebleven documenten waardevol en van belang.

Onderling in de soorten zagen we wel wat verschil. De echt late soorten herstelden zich nog wel wat, maar de vroege sprongen er het negatiefste uit.  Dan beweerde Duijsens later in een gerechtelijk stuk d.d. 30-09-2009  (Conclusie van antwoord) op pag 4  “aan de eigen bollen had Bleeker in het geheel geen schade”.  Bleeker teelde op het z.g. België perceel ook  soorten, niet als contractteelt maar voor eigen rekening en risico. Wat Duijsens  hier bijna 10 jaar later stelt is zoiets als;  De oogst van Lico was wel slecht maar die van Bleeker zelf was goed of normaal. Als dit waar was zou het inderdaad kunnen zijn dat het plantgoed van Bleeker goed was en dat van Lico slecht. Dit zou de conclusie aangaande die bewering moeten zijn. Als dit evenwel onjuist is en verzonnen dan is dit verzonnen om de rechter te misleiden en op het verkeerde been te zetten, en dus eigenlijk ook gewoon extra bewijs dat de rechter opzettelijk en willens en wetens werd misleid..

Evenwel, in het voornoemde verslag van 31-12-1999 is uit de mond van Bleeker zelf opgetekend; “Tenslotte voert de heer Bleeker aan dat de oogst bij hem zelf ook niet al te best was. Dat is te wijten aan de natte herfst van 1998 en de hete zomer van 1999”.  Aan de juistheid van die bewering, die door een derde uit de mond van Bleeker is opgetekend behoeft niet te worden getwijfeld.  Deze bewering kan vrij worden vertaald als dat de oogst van Bleeker gewoon navenant slecht was aan die van Lico. Een leek zou dan menen dat hij er plausibele redenen voor gaf, maar een ervaringsdeskundige stelt twee conclusies, allereerst dat de natte herfst geen invloed op plantgoed kon hebben, het plantgoed was verrot of had het goed overleeft en zou in orde zijn. De volgende conclusie is dat Bleeker erkende dat niet of onvoldoende was beregend.

Door het z.g. kiekprobleem (komt nader aan de orde), heeft Groot ca. eind september  de percelen bezocht en verschoot zich eerlijk gezegd rot.  Metzelaar had hem niet geïnformeerd over de problemen en interactie, en Metzelaar had gehoopt dat de teelt nog bij zou trekken en de schade zou verminderen. Hij was degene die Bleeker als nieuwe contractteler had binnengehaald en voelde zich eigenlijk schuldig. De vroegere, en vaak daarbij minder sterke soorten waren al volledig afgestorven,  de toen door ons gestoken teelt monsters vielen aangaande de groei zeer tegen, wel was er weer een (licht) worteltje aan gegroeid dus aangaande beworteling wel wat verbeterd.

In overleg met J. Burger is  afgesproken dat we de oogst en oogstgegevens af zouden wachten. Mijn idee was het zenden van een aangetekende brief en in gebreke stelling, wat Burger stellig afraadde.  Dit zou tot allerlei problemen, o.a. niet willen rooien etc. kunnen leiden.  Zaken zouden dan op scherp zijn gesteld. Nadat de oogst is ontvangen zijn de opbrengsten vanaf de leveringsnota’s in overzichten gezet.  Burger erkende dat de oogst niet best was, maar wilde het beter voorstellen dan het in werkelijkheid was, en stelde dat hij er van uit ging dat zaken in onderling overleg tot een oplossing zouden kunnen komen.

Van belang zijn dan de verweren die Bleeker  / Duijsens daartegen in bracht.  Die verweren komen in meerdere gerechtelijke stukken voor en zijn in hoofdzaak vergelijkbaar, maar wij kiezen voor de antwoordakte van 13 september 2001 waar we in latere instantie ook uit zullen citeren en die we integraal bijvoegen.

Hoewel dit ook in de bijlage is te lezen kiezen we er voor om de relevante stukken te citeren, we citeren letterlijk dus ook kromme zinnen etc.; pag. 6  alinea 18 De verwijten van Lico aan Bleeker”   Lico verwijt Bleeker dat er onvoldoende stikstof in de grond aanwezig was alsmede dat er een schade aan wortelaaltjes in de grond aanwezig was die niet tijdig en adequaat is bestreden. Bleeker handhaaft zijn betwisting van deze verwijten als aangevoerd bij conclusie van antwoord. Hieronder worden de verwijten nogmaals afzonderlijk besproken.   stikstoftekort  19  Bij pleidooi is gesuggereerd dat Bleeker zou hebben erkend dat aanzienlijke tekorten stikstof in het perceel voorkwamen. Dit is evenwel onjuist. Bleeker heeft aangevoerd dat er bij aanvang genoeg stikstof in de grond kwam. In juli bleek dat sprake was van een te kort waarna Bleeker direct maatregelen heeft getroffen. Lico suggereert dat zij Bleeker in juni 1999 op de hoogte zou hebben gesteld van een stikstof te kort. Dit is Bleeker in het geheel niet bekend. Bleeker betwist nadrukkelijk dat in juni 1999 Lico een te kort aan stikstof heeft gemeld en voorts dat in juni 1999 kon worden vastgesteld / opgemaakt dat de teelt een te kort aan stikstof had.

Bleeker ontkend zaken, betwist ze nadrukkelijk, en camoufleert vooral zaken. Hij ontkend dat Lico hem op de hoogte stelde van een vermoeden van gebreken en tekorten, en rept nauwelijks over het door Lico getrokken grondmonster. Evenwel, Lico nam dit monster omdat Bleeker dit weigerde om te doen, na weken durende communicatie.  De uitslag kwam 21-07-1999.  Dit is pakweg 10 dagen onderweg, en in de voorgaande periode vond dus het (herhaalde) verzoek aan Bleeker plaats wat dus inderdaad eind juni moet zijn geweest.

Een andere zaak die opvalt (ook in de volgende alinea) was dat Bleeker stelt dat er geen te kort kon zijn omdat er voor aanvang van de teelt volgens analyse voldoende stikstof in de grond zat. Iedere kweker zal daarbij in de lach schieten of de schouders ophalen, Iedere (goede kweker)  neemt regelmatig nieuwe monsters en mest  regelmatig bij. Dienaangaande geeft Groot ook de volgende alinea weer  20  “Eerst 17 juli ontving Lico kennelijk de uitkomst van een monster. Binnen twee weken heeft Bleeker de extra bemesting uitgevoerd. Bleeker kan niet worden verweten dat hij een contra expertise heeft laten uitvoeren. Gelet op de bemonstering van het perceel voorafgaande aan het planten van de gewassen, was er geen enkele aanleiding voor Bleeker om aan te nemen dat er sprake zou zijn van stikstof tekort. Bleeker heeft adequaat gehandeld en dit kleine euvel kan nimmer oorzaak zijn van de problemen. Lico merkt ook op dat uit haar verslagen zou blijken dat Bleeker onvoldoende stikstof zou hebben gebruikt. Bleeker ziet niet in hoe deze verslagen (die slechts een weergave van de standpunten van Lico inhouden) ten bewijs van de stelling van Lico dat Bleeker te laat zou hebben gehandeld, kunnen dienen. Bleeker beroept zich in tegenstelling tot Lico slechts op verslagen opgemaakt door een derde, namelijk de bemiddelaar Bader B.V. Meer inhoudelijk handhaaft Bleeker de stelling dat hij voor voldoende stikstof in de grond heeft gezorgd. Het is aan Lico het tegendeel te bewijzen”.  

Waarom Bleeker zijn stellingen niet behoeft te bewijzen en Lico wel is onduidelijk. Wat wordt geschreven over verslagen, welke en in relatie met wat, is voor Groot ook abra cadabra, maar schept wel onduidelijkheid en verwarring.  In ieder geval is duidelijk dat niet wordt gerept over het grondmonster, hoe dit tot stand kwam, en wat daar aan vooraf was gegaan.  Dit wordt gecamoufleerd.  Over het niet accepteren van de uitslag en het eigen monster wordt ook niet of nauwelijks gerept. Omdat voor aanvang van de teelt er voldoende stikstof in de grond zat was er voor Bleeker kennelijk geen aanleiding om 4 a 5 maanden later na te gaan of er niets was gebruikt of uitgespoeld.  Toch is er uit het gehele, warrige referaat op te maken dat er  volgens Bleeker op 17 juli een duidelijke uitkomst van een grondanalyse was, en dat er pas na twee weken gehandeld is. Dit noemt Bleeker dus adequaat handelen om een klein euvel te verhelpen.

Volgende alinea  21. “Aaltjesbestrijding” In de conclusie van antwoord in conventie is aangevoerd dat er in ieder geval geen sprake is geweest van onvoldoende aaltjesbestrijding. In september 1999 zijn geen aaltjes geconstateerd door Bader. Bleeker heeft gedurende de teelt voldoende voorzorgsmaatregelen genomen om eventuele aaltjes te bestrijden door het toevoegen van het middel Temik bij het planten. Dit gebeurde op de juiste momenten. Betwist wordt dat er op enig moment sprake is geweest van een aan Bleeker te wijten aaltjesbesmetting. Het is aan Lico om het tegendeel te bewijzen”.

Commentaar.  Wederom moet Lico het tegendeel bewijzen. Hier rijst de vraag waarom iemand, als hij iets kan bewijzen, die bewijzen ook er niet bij levert. Overigens heeft Groot de bewijzen en levert ze dus wel.  Ook hier is het referaat van Bleeker warrig en misleidend. Er wordt gesteld dat er, gecontroleerd door Bader, geen aaltjes voorkwamen. Groot heeft nooit gesteld dat het in september wél of niet het geval was. Wat Groot heeft gesteld is dat de beworteling in juni / juli niet goed was, met als oorzaak een combinatie van de groeistilstand en grondaaltjes.  Vast staat dat kennelijk zowel Laarakkers als Bleeker dit erkenden, waarom zouden ze anders begin augustus Temik hebben gestrooid. Dat had men niet gedaan als het onnodig was, dus als de beworteling goed was geweest.     

Vervolg verweer Bleeker 22  onvoldoende beregening” In de reeks van verwijten die Lico meent te moeten maken aan het adres van Bleeker werd bij pleidooi toegevoegd de stelling dat Bleeker bij het warme weer te weinig zou hebben beregend. Bleeker heeft voldoende beregend en ook deze stelling wordt betwist”.  Reeds aangegeven is dat Bleeker stelde dat de eigen oogst ook niet al te best was, en dat dit kwam door de warme en droge zomer.  Droog is het alleen als je niet beregend. Groot meent niet dat er onvoldoende is beregend, maar dat er helemaal niet is beregend (wat altijd onvoldoende is).  Daarmee heeft Bleeker die tekortkoming erkend.

Bijlagen;

3 a.    Schriftelijk verzoek aan Bleeker om grondanalyses uit te voeren, welk verzoek Bleeker onnodig achtte.

3 b     Uitkomst grond analyse, met commentaar Bleeker.  Bleeker gelooft de uitslag niet.

3 c     Uitkomst monster van Bleeker, gelijke uitkomst, Bleeker komt eindelijk in actie.

3 d     Opdracht tot bijmesten van Bleeker aan Laarakkers.

3 e     Verslag  Metzelaar

3 f      Verslag  teeltadviseur H. Bleeker.     

3 g     Verslag bijeenkomst gesprek  31-12-1999

3 h    Verslag bijeenkomst  gesprek  06-01-2000

3 i     Antwoordakte  van Duijsens  van 13 -09-2001.

Recta nos malum