5c.10 Kiekprobleem.

Dit behandeld Groot wél apart omdat daar extra zaken mee gaande zijn. Daarvan is ook een extra rapportage gemaakt,  nu dit een soort eigen leven is gaan leiden, en ook dienaangaande er in een opvolgende rechtszaak (de schadestaatprocedure), zeer grof is gelogen door Bleeker sr. ten overstaan van ene rechter Gisolf. Dit dan weer in relatie tot wat we onder 11 zullen beschrijven.

Op basis van wat Bleeker sr. beweerde en alle zaken die inmiddels duidelijk en ontdekt waren, stond voor Groot vast dat de kiek, die zich pas ca. begin september echt ontwikkelde niet uit het door hem geleverde plantgoed kwam, maar nog in het land voor was gekomen. Bij vakmensen is het fenomeen kiek bekend. Ook is hen bekend dat er geen sprake is van een ziekte maar van een onkruid. Daarover wordt in deze zaak ook door Duijsens veel verwarring gesticht. Dat rechters zich geen enkele voorstelling kunnen maken bij Kiek of Gele Kiek, en ze derhalve ook van alles wijs is te maken is begrijpelijk.

Ook is bekend bij leliekwekers dat dit zowel in het land als in het plantgoed voor kan komen. Naar Groot  heeft geconcludeerd en vastgesteld kwam het in het land voor, is het het voorgaande jaar kennelijk wel bestreden maar onvoldoende, maar het land is mogelijk ook diep geploegd geweest. Kiek is altijd oppervlakkig, als het land diep wordt geploegd heeft het moeite om boven te komen wat verklaard dat het zich  niet eerder als eind augustus openbaarde. Als het uit het plantgoed was gekomen, zou het zich al in juni/juli hebben geopenbaard.  

Groot heeft het perceel bezocht en geconstateerd dat het pleksgewijs voorkwam, en niet in alle lelie soorten. Het was niet egaal verdeeld in een bepaald soort wat het geval was geweest als er kiekresten in plangoed achtergebleven zouden zijn. Overigens vind men, als het in het plantgoed voorkomt altijd restjes en sliertjes bij het planten. Zeker is dat Bleeker het plangoed complimenteerde, zoals in het verslag van 31-12-1999 staat   “Het zag er optisch goed uit”. Kiekresten zou hij zeker tegengekomen zijn en dit hebben gemeld.

Groot had alle andere percelen bij de andere kwekers kiekvrij, dus het kwam hem zeer onwaarschijnlijk voor dat het plantgoed de oorzaak kon zijn, temeer daar ook delen van  dezelfde partijen bij andere kwekers kiekvrij waren.  Dan was het Batist plantgoed (met vermenging) middels G. Vriend nieuw aangekocht. Dit was van schubben geteeld, wat kiek al nagenoeg uitsluit, en G. Vriend verklaarde dat dit plantgoed absoluut kiekvrij was.  

Dat Groot er toch mee instemde om die zaak niet hoog op te spelen, kwam om de lieve vrede te bewaren. Door het treffen van een bepaalde regeling zou de zaak over en uit zijn en afgedaan. Dat Bleeker die afspraak niet na is gekomen, en de z.g. kiek zaak hoog opgespeeld heeft, en daarbij zeer heeft opgeblazen is naar de mening van Groot uitermate onbehoorlijk. Groot durft het te betitelen als een criminele daad.

Zoals G. Ruiter ook bevestigd heeft,  had de kiek geen invloed op de groei, die groei had immers voor september al plaatsgevonden behoren te hebben. Dat de oogst over de gehele linie slecht was kwam door de groeistilstand, we kunnen concluderen dat ook de oogst van percelen zonder kiek vergelijkbaar slecht waren wat op zich al voldoende bewijs is. Het al eerder benoemde opmerkelijke was, dat het z.g. België perceel navenant slecht was aangaande groei terwijl daarin zowel Kiek als woekerziek niet voorkwamen, wat aanvullend bewijst dat dit geen oorzaken van slechte groei waren, en in het Nederland perceel uit de grond voor kwam.

In de bijlage met bijlagen, beschrijven we gedetailleerd dat;

  1.   De kiek met zekerheid uit de grond voort was gekomen.
  2.   Bleeker ons derhalve ten onrechte beschuldigde en ten onrechte ruim 5000 gulden heeft gedeclareerd.
  3.   Dat Bleeker door grove leugens te bezigen in een rechtszaak de rechter kennelijk probleemloos op het verkeerde been wist te krijgen. Groot heeft overigens de indruk, en sterke aanwijzingen, dat in die zaak het oordeel op voorhand al vast stond. (zie ook beoordeling in 14)
  4.  Dat in de antwoordakte, in alinea 15  Duijsens refereert aan een overeenkomst van 22 –  09-1999 waarin een medewerker van Bader, een naar onze stellige overtuiging onjuiste constatering verwoord.
  5.  Dat evenwel wél dit document c.q. die overeenkomst snoeihard het bewijs levert dat Bleeker sr. de zaak beloog en bedroog.   Verder verwijzende naar de bijlage.

Bijgevoegde bijlage  

10 a  Document 9 pagina’s, en 10 bijlagen, aangaande  Het grote bedrog en de leugens tijdens de rechtszitting van 26 mei 2014.  Dit document is ook van belang en aan de orde in het opvolgende Hoofdstuk.

Vragen;    (zie ook beantwoording van G. Ruiter in zijn rapport.)

10  /1.    Kan het voorkomen van kiek, wat zich pas openbaart eind aug. begin sept.  reden zijn van een halve oogst bij lelies?

10  /2.    Soorten waar geen kiek in  voorkwam (30% van totaalpercelen)  waren gelijkmatig slecht van oogst. Kunnen we daar uit concluderen dat daar waar kiek niet voorkwam, dit ook geen reden van de z.g. halve oogst kon zijn.

10  /3.    Volgen een overeenkomst die volgens verklaring  J. Droog  ook zo is uitgevoerd, was pas gerooid nadat het gespoten kiek dood en onvindbaar was.  Bleeker stelt dat hij zeer veel kiek mee had gerooid en daardoor pakweg een halve ton extra geld kwijt was bij de verwerking. Acht u de bewering van Bleeker geloofwaardig?   

10  /4.    Bleeker werkt niet mee, zou bewijs moeten en kunnen leveren, kunt u van enige bewering zoals door Bleeker en / of Duijsens gedaan ergens een snipper bewijs ontdekken.

Recta nos malum