5c.09 Aangaande “oud plantgoed” ouwe troep, woekerziek, vermenging

Groot voegt deze zaken enigermate samen; Groot  heeft er kennis van dat in enkele partijen woekerziek voorkwam. We zien dat Duijsens de rechters allerlei zaken probeert wijs te maken die een rechter mogelijk wel, maar een ervaringsdeskundige niet zal aanvaarden.  We verwijzen daarbij naar wat Bleeker in de voornoemde antwoordakte (3 i) in brengt, verwijzende naar die bijlage.

Aangaande woekerziek is bekend dat dit in buitenteelt zelden voorkomt. Bij de eigen teeltervaring van Lico is dit één maal, en dus alleen in dit onderhavige geval bij Bleeker het geval geweest. Dit openbaarde zich niet eerder dan in augustus. De bewering dat dit bij opkomst werd geconstateerd is onjuist. Ook dat het in het plantgoed voorkwam en was geconstateerd (zoals ook is beweerd) is onjuist (en zoals iedere bewering of losse flodder ook van nog geen snipper bewijs voorzien). Dat daarover middels Burger aan de bel is getrokken is ook onjuist, daar wordt ook geen enkel bewijs voor geleverd.  

Dat Groot de lezing van Bleeker in het verslag van 31-12-1999 niet betwistte is ook onjuist. Het verslag zou volgens afspraak niet in rechtszaken worden gebruikt, en niet een eigen leven gaan leiden. Nadat Bleeker zich niet aan die afspraken hield heeft Groot schriftelijk zijn bezwaren geformuleerd maar acht dit niet zwaarwegend genoeg om in te brengen (er is al een veelheid aan documenten en het kan zonodig alsnog). Het verslag levert daarbij geen enkel bewijs dat de oorzaak van de daarin wel erkende woekerziek, in het plantgoed zat.

Algemeen bekend, en ook door Ruiter bevestigd, is dat een besmetting van woekerziek zowel uit de grond als uit plangoed voort kan komen, maar dat dit zich nooit in buitenteelt ontwikkeld in een goed groeiend en gezond gewas. Dit klopt exact met wat we hier hebben zien gebeuren, namelijk dat er eerst een groei stilstand kwam door een reeks van tekortkomingen (te kort stikstof, mogelijk ook andere mineralen, grondaaltjes en het niet beregenen), en dat toen pas, door het verzwakte gewas, het op enigerwijze, niet meer traceerbare, latent aanwezige woekerziek, een kans kreeg.  Dat woekerziek een kans kreeg is dus meer een bewijs dat er in het gewas wezenlijk iets mis was.  Daarbij werd door Bleeker 14 % als zwaar woekerziek benoemd en 20 % licht woekerziek, maar de met woekerziek aangemerkte partijen waren niet beter of slechte aangaande de groei dan de partijen waar niets in voorkwam ofwel die waren overeenkomstig slecht.  Daar waar het niet in partijen voorkwam kon het dus geen oorzaak van de slechte oogst zijn.

Daarbij is het verslag kennelijk uitgeplozen en ten voordele van Bleeker uitgelegd, evenwel, er staat juist niet in dat er al woekerziek in het plantgoed was geconstateerd, maar juist dat het plantgoed er (optisch) goed uit zag.  Dan zou er woekerziek tijdens de groei zijn geconstateerd maar er wordt niet in  gesteld wanneer, dan staat er in; “Echter bij het opkomen was het mis. Toen openbaarde zich het woekerziek”.    Maar verder in het verslag staat juist weer; “De heer Bleeker zegt dat hij iedere week de teelt in de gaten hield bij de verschillende percelen en dat het er allemaal prima bij stond”. We lezen dus allerlei zaken die met elkaar in tegenspraak zijn, die Groot wel heeft weerlegd, wat in de antwoordakte dan weer  onjuist wordt voorgesteld.

In de antwoord akte op pag. 5  alinea 13 onder derde gebrek.  Duijsens openbaard zich daar als een zeer deskundig iemand op bollengebied en onderbouwd dat vermenging in een partij lelies tot een halvering van de groei leidt. Hij stelt dat Groot dit gebrek erkent, maar dat is onjuist. Groot erkent alleen dat er een partij was, onder de naam Batist geplant die voor 1/5 deel vermengd was met de soort Monte Negro. Wat Groot absoluut niet erkent dat dit een gebrek was.  Groot heeft dit als plantgoed bewust aangekocht omdat het door de vermenging goedkoop was aangeboden, maar verder van topkwaliteit.  Er werden in orders vaak mengsels verkocht, dus voor Groot goed bruikbaar.

Duijsens kan ook niet goed tellen, hij heeft het over meerdere partijen terwijl het één partij betrof, waar dus ook nog volstrekt niets mis mee was, en waar de opbrengst het gemiddelde beeld gaf in vergelijk met de andere partijen. Vermenging zou een  “vergroting op de kans c.q. risico van ziekten”  zijn, maar ziekten kwamen (in deze partij) er niet in voor behalve kiek (wat geen ziekte is) waar we op terug gaan komen. Wat Duijsens betitelt als een feit van algemene bekendheid is voor een goedgelovige leek mogelijk aannemelijk, maar voor de deskundige / lelietelers (naar de mening van Groot), echt grote en belachelijke onzin.

Groot is van mening dat er kennelijk door Duijsens/Bleeker ook zeer gezocht is naar zaken die veel groter konden worden gemaakt dan ze waren, en feitelijk onjuist en soms ook onzinnig waren, en dit dus bij een gebrek aan goede en steekhoudende argumenten.

In dit uit 2001 stammende verweer, zijn deze drie zaken als oorzaak gesteld. Aanvullend wordt gesteld dat Groot gebrekkig plantmateriaal had geleverd, Groot verwijst naar de z.g. conclusie op pag. 6 alinea 17. waarin Duijsens ultiem dus stelt; “Het is in dit licht aan Lico om aan te tonen dat de oorzaak elders is gelegen”.   Groot meent dat hij dit afdoende heeft  beargumenteerd, en onderbouwd, dus aangetoond en bewezen,  en de kwaliteit van het plantgoed reeds heeft aangetoond.

Tijdens een rechtszaak stelde Frans Bleeker het plangoed ter discussie en benoemde het als ouwe troep, een term die vaklieden wel kennen. Die weten ook dat z.g. ouwe troep al pakweg dertig jaar terug uit de teelt is verdwenen. Hij stelde ook dat hij de percelen namens ons op wilde geven, maar dat dit niet mocht van Metzelaar omdat er zowel afgekeurde als illegaal geteelde partijen bij waren.   Afgekeurde partijen opplanten is weinig zinnig omdat ze dan bij de veldkeuring worden afgekeurd en illegaal geteelde partijen bestaan maar die geven geen halve oogst omdat ze illegaal geteeld worden. Evenwel, Groot vond het opgave formulier terug, Er bleek dat F. Bleeker het in eigen handschrift had opgesteld en weldegelijk ook zelf had opgestuurd.  Een verzonnen dus leugenachtige bewering om rechters te misleiden dus. Eén in een lange reeks.

Verwijzing dus naar bijlage  3 i

Recta nos malum