5b.1.03a Beoordeling van de teelt.

  1.   Beoordeling van de teelt.  

Dit kunnen we als het belangrijkste onderdeel beschouwen.  In het basisdocument beslaat de beschrijving een 8 tal pagina’s, en zien we zaken onderbouwd met een elf tal bijlagen. Ook hier worden de door Groot gestelde zaken met meerdere en duidelijke documenten onderbouwd, die voor  een geroutineerde lelieteler  duidelijk en veelzeggend zijn.   Ook hier gaan we er van uit dat Groot de juistheid van de gang van zaken weergeeft en  dat door hem de stellingen en beweringen van Bleeker juist weer worden gegeven.  In dit kader worden door Groot citaten uit gerechtelijke stukken als de mening van Bleeker ingebracht,  zodat het uitgangspunt is dat daarin de mening van Bleeker is verwoord.

Allereerst  memoreren we dat G.  Ruiter in zijn eerder opgesteld rapport heeft gesteld dat  een halve oogst met  (zoals door ons vastgesteld en voor ons vaststaand) kwalitatief goed plantgoed,  weldegelijk duidelijk aanwijsbare oorzaken dient te hebben, en een grote zeldzaamheid is.  Uitgaande er van dat wat we normaal noemen een gemiddelde is dan is b.v. 10 % meer erg goed en 10 % minder is slecht,  en fluctueert  een oogst doorgaans binnen die bandbreedte.  

Dat er bij een halve oogst duidelijk traceerbare oorzaken zijn is duidelijk en ook ons uitgangspunt. Ter beoordeling is dus de vraag  of de onderbouwing van Groot aangaande de oorzaken, en vooral daarbij dus ook beoordeling van het nog beschikbare bewijs, in redelijkheid gesteld de oorzaak is geweest, van die halve oogst, of dat het de door Bleeker gestelde zaken zijn die oorzaak waren, waarbij stellingen door Bleeker in zijn genomen,  met als uitgangspunt dat de halve oogst aan Groot verwijtbaar zou zijn.  Gesteld kan dus worden dat partijen het er met elkaar over eens zijn dat de halve oogst duidelijk oorzaken heeft.  Eerst wordt hier dus de inbreng en de stelling van Groot beoordeeld dat zaken aan teeltfouten van Bleeker verwijtbaar waren.  In latere onderdelen  (onderdeel 8, 9 en 10)  worden de door Bleeker beweerde zaken  beoordeeld.   Zijn belangrijkste container verwijt dat het plantgoed zo ongeveer nergens voor deugde,  hebben we al als onjuist beoordeeld en  achten we afgehandeld.

Door Bleeker is  naar ons oordeel in de beschikbare documenten, zoals het verslag van de bijeenkomst van 31-12-1999 om een schikking te beproeven,  de gang van zaken zoals Groot die stelt, deels bevestigd en deels onweersproken gebleven.  Volgens Groot, en  ook uit de stukken blijkend, worden daarbij  door Bleeker datums verschoven en  zaken  gebagatelliseerd.  Zo is te lezen dat volgens Bleeker,  zij een klein euvel snel oplosten.  Zij erkennen dus dat er een op te lossen probleem was  waar ze op enig moment tot actie over zijn gegaan.  Iedere kweker weet evenwel dat, zoals duidelijk aangetoond,  een stikstof tekort, wat al langere tijd aanwezig blijkt te zijn geweest, geen klein euvel is maar een groot euvel, en dat iedere dag telt.  Dat de door Groot gestelde feiten dus reëel waren, kunnen we vaststellen, en ook dat pas  weken later daadwerkelijk is ingegrepen nadat dit ook bij Bleeker kennelijk was doorgedrongen.   

Nu dit onderdeel het belangrijkste is, is een goede en grondige beoordeling van belang.  Als eerste bijlage (3a)  zien we een ongedateerde fax die aan Bleeker  is verzonden door Lico met een verzoek tot monstername.  Volgens Groot wilde Bleeker die opdracht niet uitvoeren, waarna Lico  /  Metzelaar daar zelf een opdracht toe had gegeven.  De uitslag van dat monster (3b)  is van groot belang  en geeft goede duidelijkheid van zaken.   Die uitslag blijkt namelijk naar Bleeker te zijn gefaxt, die er bemerkingen op heeft geschreven die  naar onze mening voldoende duidelijkheid verschaffen van een aantal zaken.  Er blijkt immers uit die opmerkingen dat Bleeker  ook op dat moment (21-07-1999)  nog een stellige overtuiging had dat er niets mis was.  

Groot stelt dienaangaande, en door ons ook als aannemelijk gezien,  dat er geen opzet of iets dergelijks in het spel was. Kennelijk had Bleeker de teelt weer aan een derde zijnde Laarakkers uitbesteed, die vakkennis ontbeerde, en was er miscommunicatie, mogelijk ook gemakzucht, (hopen op regen die niet kwam) etc.  Bleeker gaf toe dat de eigen percelen ook slecht waren dus benadeelde ook zichzelf. Wat daar verder van mag zijn,  opmerkelijk is hoe halsstarrig Bleeker weigerde de aanwijzingen van Metzelaar op te volgen, weigerde een grondanalyse te verordenen, zodanig dat  Metzelaar er  na wat vruchteloze discussie maar zelf toe over is gegaan om het bewijs van zijn vermoeden van voedingstekorten te leveren.

Daar is de gevolgtrekking uit op te maken dat  daar zaken aan vooraf zijn gegaan die over een langere tijd plaats gevonden moeten hebben.  Metzelaar had kennelijk aan de bel getrokken dat  het gewas naar een gebrek tekende.  Gaf  een bijmest opdracht (3a) die Bleeker niet nodig vond, en niet na kwam.  Metzelaar wilde dat een grondanalyse werd gedaan, Bleeker vond dit onnodig, waarna  Metzelaar zelf die opdracht gaf.  Tussen monstername en uitslag zit al ca. 10 dagen.  De reactie van Bleeker d.d. 21-07-1999 geeft dus ook aan dat er kennelijk al zeker een maand een discussie gaande is geweest over wel of niet  bijmesten etc.

Dan stelt Bleeker in zijn handgeschreven opmerkingen  “nieuwe monsters komen er aan, uitslag  29-7”.   Ook dit komt overeen met datgene wat Groot heeft gesteld.  Bleeker heeft kennelijk uiteindelijk toch besloten om een eigen monster te laten trekken, wat kennelijk op dat moment al gedaan is maar ook dat er pas  29-07  een uitslag zal zijn, dus weer een week later.  De uitslag is bijlage 3c.  Die uitslag bevestigd het grote te kort aan stikstof. In eens is Bleeker dan wél  overtuigd,  bijlage 3d is ook duidelijk, volgens de fax datum,  is d.d. 30-07-1999  door Bleeker een bijmestopdracht gegeven aan Laarakkers, die dus  kennelijk de teelt uitvoerde, dus pakweg 6 weken te laat.  Zaken zijn kennelijk ook door Metzelaar in een verklaring op schrift gesteld (3 E)  en  we vinden ook bevestiging in de verklaring van de teeltadviseur van Agrifirm.

Hoewel  wat onsamenhangend, worden die zaken  globaal / in de hoofdzaak, teruggevonden in bijlage 3g, het verslag van de bespreking die 31-12-1999  plaatsvond.  De eerste alinea op pagina 3 geeft het voorgaande weer.  Dan is er door Groot gesteld dat er in een lange warme periode niet werd beregend.  Ook daar is een bevestiging van terug te vinden in bijlage 3d.  Op pag.  1, 8e zin van onder af lezen we dat Bleeker als navolgend stelde :  “Bovendien is een tijd lang extreme droogte ook niet bevorderlijk voor het  gewas geweest”.    Er staat niet bij dat niet werd beregend, maar extreme hitte is pas niet bevorderlijk voor het gewas, als niet wordt beregend.  

Op pagina  2  laatste zin van 2e alinea lezen we:  “Tenslotte voert Bleeker aan dat de oogst bij hen zelf ook niet al te best was.  Dat is te wijten aan de natte herfst van 1998 en de hete zomer van 1999.  We lezen hier dus dat Bleker op dezelfde percelen ook voor eigen rekening en risico  teelde. Niet al te best,  lijkt ons gelijkwaardig slecht als bij Lico.  Hoe dit door de natte herfst van een voorgaand jaar kon komen is onduidelijk en lijkt ons onmogelijk.  Wel dat de hete zomer (mede) oorzaak was.  Dit zien we als een erkenning dat men in beregening te kort is geschoten.

Bijlege 3 i  geeft het verweer van Bleeker weer.  de alinea’s  zijn genummerd,   van belang is alinea 19.   Volgens Bleeker bleek in Juli een te kort waarna Bleeker direct maatregelen had genomen.  Bleeker spreekt over een klein euvel.  Volgens Bleeker zouden de contacten zoals Metzelaar stelt dat ze plaats hebben gevonden,  niet plaats hebben gevonden,  en ook dat hij niet door Metzelaar is benaderd die zijn zorgen had geuit.  Die mening en bewering, gesteld in een gerechtelijk stuk, staat dus haaks op wat Groot stelt en beweert.  Om de navolgende redenen achten we het gestelde door Groot juist en het gestelde door Bleeker onjuist.

  1.   De halve oogst was een feit en  moet een oorzaak hebben.  Slecht plantgoed sluiten we uit.
  2.   Het faxverkeer en  de monsteruitslag met de handgeschreven notities  leveren bewijs dat Bleeker d.d. 21-07-1999 nog niet accepteerde dat er zaken misgingen.  De discussie daarover moet al ruim een maand hebben plaatsgevonden.   Dat Bleeker stelt dat Lico  in juni 1999 geen te kort heeft gemeld moet dus in strijd met de feiten zijn, en ook een bewering tegen beter weten in.
  3.   Vaststaand feit is dat Bleeker na ontvangst   van de uitslag van een monster dat hij zelf had laten trekken  in eens wel in actie kwam.
  4.   Bleeker beweert zaken en ontkent zaken, maar wij zien geen verwijzing naar bewijs of bijlagen.
  5.   Indirect  levert  het verslag  3g  het bewijs dat  warmte en droogte  mede oorzaak van slechte groei waren,  dus dat er niet werd beregend..
  6.   Dat Temik is gestrooid  wordt erkend.  Bestrijding van wortelaaltjes vindt doorgaans (alleen) plaats  als dit nodig blijkt te zijn.  Dat  de beworteling eind juli slecht was is dus aannemelijk.

Opmerking.                                                                                                                                                                   Hoewel over meer zaken een oordeel wordt verzocht,  is de hoofdvraag  of de halve oogst aan tekortkomingen van Bleeker zijn te wijten, of aan  Groot / Lico verwijtbare zaken die Bleeker als redenen aangeeft en die nog nader  zullen worden bezien.   Groot vraagt een oordeel van professionele kwekers.  Die uiten hierbij hun verwondering over deze zaken.  Het is immers gebruikelijk dat  reeds op zogezegd gevoel, al regelmatig wordt bijgemest,  zodat tekorten  zich niet voor gaan doen. Dan is het gebruikelijk dat  gedurende de teelt  met regelmaat monsters worden getrokken ter controle.   Gedacht wordt dat dit standaard  procedure is bij alle kwekers.  Dat zaken bij Bleeker totaal anders zijn gegaan komt  zeer onprofessioneel over.

Dat geld ook voor beregenen.  Algemeen beregenen kwekers  voordat  droogte ontstaan.  Niet alleen is water nodig voor de groei maar ook voor de opname van voedingsstoffen.

Recta nos malum