5b.1.13 Beoordelingen houding Duijsens en Bleeker

Beoordeling houding Duijsens en Bleeker in de zaken en situaties.

Groot stelt ook dit in zijn geschrift aan de orde, en heeft daarbij een zestal vragen geformuleerd.  We gaan er van uit dat degene die deze rapportage tot zich gaan nemen, al een indruk hebben verkregen, en dat we ook door hebben laten klinken wat we van bepaalde zaken dachten en vonden. We zullen hier enkele opmerkingen over maken, maar in ons oordeel ook enige terughoudendheid betrachten.  Oordelen kan eenieder die zaken en conclusies op professionele wijze beziet, en die kan immers zijn eigen oordeel wel vormen.

Op de vragen  13/1 en 13/2 kunnen we als antwoord stellen  dat we geen oplossingsbereidheid en redelijkheid en billijkheid hebben kunnen ontdekken.   Integendeel zelfs.  Ook de vraag 13 / 5  staat daar mee in relatie.  Dat Groot een concreet schikkingsvoorstel deed  waarbij Bleeker in feite alleen het eerder door hem onrechtmatig bespaarde geld  zou crediteren werd afgewezen  spreekt daarbij boekdelen.  Dit is in redelijkheid gesteld onbegrijpelijk en lijkt ook alleen maar nadelig voor Bleeker te zijn geweest.

Ook sterk in relatie hiermee is het antwoord op vraag  13 / 4. aangaande het kiekprobleem.  We  hebben kennis genomen o.a. van het feit dat kennelijk F. Bleeker in een rechtszaak het plantgoed zeer diskwalificeerde,  naar onze beoordeling en conclusie geheel ten onrechte.  Met kennelijk een gelijk doel en instelling heeft dan Bleeker sr.  in een rechtszaak gesteld dat ze veel extra werk hadden door meegerooide kiek, terwijl Groot bewijst dat  er in het geheel geen kiek in de oogst voorkwam, enz. (zie verder wat we daarover oordeelden).   Tenzij Bleeker alsnog het tegendeel zou kunnen bewijzen, heeft dit met redelijkheid, billijkheid, en oplossingsbereid zijn al niets meer te maken, maar kan dit  opzettelijke leugen en bedrog worden genoemd.

In ons commentaar en toelichting ligt al besloten  wat van vraag 13 / 6 wordt gevonden.  Niet mogelijk  is voor ons om alle hoedanigheden te beoordelen. Vast staat wel   Dat de advocaat van Bleeker niet op oplossingen heeft aangestuurd, en wist of kon weten dat veel stellingen en beweringen onjuist waren.   We zien de feiten zoals ze zijn, wie tot wat aanzette enz. in niet voor ons te bepalen en  dit zien we niet als onze opdracht.  Zaken durven we wel als zeer uitzonderlijk te benoemen.

Recta nos malum