5b.1.10 Kiekprobleem

Het voornoemde zet zich dan zeker wel door,  in wat geld als het kiekprobleem.  Kennelijk is dit niet bij het vorige onderdeel gevoegd hoewel dit had gekund,  vanwege  de speciale aandacht die dit kennelijk gedurende de procedures heeft verkregen.  Allereerst kunnen we stellen dat  Groot  stelt dat  hetzelfde geld als bij de z.g. woekerziek.  Uit bijlage  3 K  (teeltoverzicht) blijkt dat  z.g. zwaar kiek   in 17 % van het totaal voorkwam,  13 % licht kiek, en dus 30 % z.g.  kiek bevatte.   De overige 70 % heeft kennelijk ook een halve oogst geleverd, conclusie, kiek kan geen oorzaak van een slechte oogst zijn, als het niet  voorkomt.  Deze conclusie is volgens ons  glashelder en zonder bedenking te trekken,  en daarbij opgemerkt dat  dit een  gegeven, dus een bekend feit was, zowel bij Bleeker als ook bij zijn advocaat,  die dit dus tegen beter weten in als oorzaak hebben opgevoerd.

Duidelijk is dat het voorkomen van het onkruid “Gele Kiek” breed is uitgemeten, en door Bleeker als een belangrijke oorzaak van de halve oogst wordt benoemd.  Ook duidelijk daarbij is dat zaken door de absolute leek, die nog nooit van kiek heeft gehoord, verwarrend zijn en in normale mate geloofwaardig.  Voor een professionele teler en deskundige  is dit uiteraard volslagen anders. Die kennen dit fenomeen doorgaans uit eigen ervaring,  dus ook de schade die het kan veroorzaken.  Groot geeft dit aparte en brede aandacht,  en vraagt ons oordeel aangaande datgene wat hij daar over stelt.

In het document  worden de pagina’s   32,33 en 34 daar aan besteed, maar  ook de bijlage  gemerkt als  10 A.  Die bijlage betreft evenwel een aparte documentatie van 9 pagina’s  met een 10 tal daarbij behorende aparte bijlagen nr. 1 t/m 10.   Dit document blijkt te zijn opgesteld door Groot nadat volgens hem Bleeker sr.  de rechter in grove mate onjuiste informatie had gegeven, en dat de rechter  zijn beweringen kennelijk voor juist had aangenomen.  Dit blijkt dan weer (volgens Groot) bepalend te zijn geweest voor  het oordeel van de rechter aangaande de kostenbesparingen bij Bleeker die in het volgende onderdeel hun aandacht verkrijgen.  Dit verklaart dan ook de speciale aandacht, en de frustratie van Groot die daar uit voort blijkt te komen,  die we begrijpelijk achten.

Het aparte document en de bijlagen bestudeerd hebbende, na gelezen hebbende wat Groot daarover in het basisdocument heeft geschreven, is voor degenen die bekend zijn met het fenomeen kiek  wel een duidelijk beeld ontstaan.  Niet anders dan gesteld kan worden dat  dit beeld zeer negatief is aangaande de beweringen en het handelen van Bleeker.

Van Bleeker is geen ander verweer of  bruikbare motivering van zaken bekend dan wat dienaangaande wordt gesteld in bijlage 3 i .  Het gestelde aangaande kiek in o.a. alinea  10 en o.a. alinea  15 (pag. 6).  behoort dienaangaande te dienen, maar is niet concreet te noemen.  Gesteld wordt dat Groot   de kiekbesmetting erkent, doch aanvoert dat deze niet van enige invloed is op de oogst gelet op het late tijdstip. verder wordt gesteld “Het is aan Lico om dit te onderbouwen”.  We concluderen dus dat Bleeker geen enkel tegenargument aanvoert maar slechts de bewijslast bij Groot wil leggen.   Op zich is dit al opmerkelijk.  Als Bleeker goed en valide bewijs van zijn stellingen heeft is onbegrijpelijk dat hij dit niet inbrengt.   Nadere bewijsvoering en onderbouwing van de zijde van Bleeker lijkt onwaarschijnlijk en wordt niet verwacht.

In de aparte documentatie van Groot van 8 oktober 2014 (dus van vrij recent) staat de bijlage 5, ondersteund door bijlage 6 centraal.  Zoals Groot ook aangeeft, en door ons mede geconstateerd, wordt die bijlage  13 jaar eerder, in bijlage 3 i  in alinea 15 ook al genoemd  in de klein gedrukte letters.  Ook zou die bijlage volgens Groot door Bleeker zijn ingebracht  bij de dagvaarding die hij van Bleeker kreeg d.d. 18 juli 2006. Dat dit document bij Bleeker bekend was staat dus vast.

Ook staan de navolgende zaken, volgens ons vast, althans door Groot gesteld en door Bleeker niet weerlegd of bestreden.  Volgens bijlage 1 bij bijlage 10 a  zijnde een proces verbaal van een zitting van 26 mei 2014,  heeft Bleeker sr. gesteld dat er tijdens het rooien enorme vrachten kiek mee waren gerooid, wat hem heel veel extra werk had bezorgd.   Dit zou op enkele duizenden uren zijn uitgekomen als daar een berekening op wordt losgelaten. Evenwel,  volgens voornoemd document  is daarin gesteld dat  het kiek zal worden bespoten door degene die de teelt blijkt uit te voeren,  en dat Bleeker niet eerder zal gaan rooien  voordat de kiek zo ver is afgestorven dan het niet meer te vinden zal zijn.  Bleeker zelf zal dit controleren , letterlijk overgenomen uit dit document:  “… en zullen zonder de toestemming van Dhr. Bleeker  NIET  worden gerooid.”.   J. Droog stelt in zijn verklaring bijlage 6 dat het zo gegaan is, althans door hem niet anders vernomen.  

Als kenners van het z.g. kiekprobleem, dus de aanwezigheid van kiek in lelies,  is dit voor ons goed te volgen.  Nu we er van uit kunnen gaan dat er sprake was van een verzwakt gewas door  de eerder vastgestelde problemen (geen stikstok, geen beregenen, schade door grondaal)  zal het gewas eerder dan normaal zijn afgestorven, terwijl het kiek langer doorgroeide en ook weelderig doordat het alle ruimte kreeg.  In dat stadium kan met anti kiek worden gespoten wat inderdaad een volledige doding  bewerkstelligd.  Na pakweg een maand zal het onvindbaar zijn geworden.  Geacht mag worden dat een veilige marge is genomen.  Volgens Groot zou er pas eind november zijn gerooid.  Droog bevestigd dit ook in de z.g. overeenkomst. d.d. 22-09-1999 stelt hij: ” Dhr. Laarakkers  is al bezig  geweest  met selectief spuiten en zal de kosten daarvan  inclusief manuren, via Dhr. J. Bleeker declareren.  Dit toont aan dat er toen al delen (mogelijk al alles) van de lelies al waren afgestorven en al gespoten.

Dit document, (van 22-09-1999) door Bleeker zelf met regelmaat aangehaald en ook door hen zelf als bijlage ingebracht  stelt dus dat er  tijdens het rooien geen kiekresten meer aanwezig waren,  wat dus weer haaks staat op wat hij, ook volgens proces verbaal (bijl 1),  tijdens het proces heeft beweerd. Volgens ons is daar niets anders van te maken als dat  Groot  kennelijk ten volle gelijk heeft  dat Bleeker grove onwaarheden sprak ter die zitting.  Ook zou de helft van de percelen vol kiek hebben gezeten,  terwijl  de feiten dus  zijn 17 % zwaar, en 13 % licht. In oppervlakte werd het dus ook ca. verdubbeld in de beweringen. De verbolgenheid van Groot, en feitelijk ook de woede die hij uit,  in de documenten achten we   derhalve begrijpelijk en ook wel gerechtvaardigd.   Deze zaken hebben ook grote invloed op de zaken die we in het volgende onderdeel aantroffen, zijnde de besparingen bij Bleeker, die in onderdeel   11 worden besproken..

Als professionele kwekers en daarbij kiek deskundigen,  kunnen we aanvullend stellen:   Bleeker stelt dat  J. Droog  (bijl. 3 i all.  15)   d.d.  22-09-1999 in het document stelt dat het gaat om besmetting uit het plantgoed.   Groot stelt daarop dat hij het daar nooit mee eens is geweest, maar wel zaken snel heeft geschikt om ergere interactie en confrontatie te voorkomen.  Nu een contractgever grote afhankelijkheid heeft van de contractteler  is dit voor ons navolgbaar en begrijpelijk.  In de aparte documentatie stelt Groot evenwel dat  het voor hem vast staat dat de kiek in de grond aanwezig  moet zijn geweest en dat het in het plantgoed niet voor kwam.  Groot brengt daartoe bijlage  8 en 9 bij 10a  in.

We stellen dat we Groot volgen in die zaken.  Allereerst  vindt men altijd nog resten  tijdens het planten als het in het plantgoed voorkomt. Dat blijkt hier niet het geval te zijn geweest.  Dan  komt het in plantgoed van schubbenteelt maar zelden (tot nooit) voor.  De aangekochte partij Batist (de gemengde partij)  is verklaard kiekvrij te zijn geweest,  maar bleek juist zwaar kiek,  tevens volgen we Groot in zijn stelling dat kiek uit plantgoed zich veel eerder zou hebben geopenbaard,  We begrijpen dat dit pas zich begin september openbaarde.   De stelling van Groot dat het mogelijk  het vorige jaar was bestreden en de grond omgeploegd lijkt aannemelijk. Dat een bestrijding niet altijd 100 % slaagt is een bekend gegeven bij ons.

Ook door Groot aangegeven en door ons als juist overgenomen het navolgende;   Ongeacht van wat er verder van was, stelt Groot dat er een probleem zich voordeed wat in onderling overleg is opgelost met de overeenkomst van 22-09-1999.  Groot stelt dat hij daar in mee was gegaan, ook al meende hij dat dit onterecht was, om dat daarmee de kous af zou zijn, en het laatste woord over de kiek gesproken.  In onze ervaring kan een probleem zich voordoen. Als men dat in onderling overleg oplost behoort daarmee inderdaad de kous af te zijn. Het is dan toch wel uitermate bijzonder en verwonderlijk,   dat het probleem (steeds) opnieuw is opgerakeld, het uit zijn voegen is gerukt, en veel groter gemaakt dan het was, en dat nota bene  na bijna 15 jaar,  er wordt gesteld dat dit bijna een paar manjaren extra werk  veroorzaakte door meegerooide kiek die naar eigen overeenkomst niet meer bij het rooien aanwezig was.  

Dit zou dan tevens inhouden dat wij Groot volgen in zijn stelling dat niet Bleeker de dupe was van door  Groot veroorzaakte kiek,  maar dat juist Groot de dupe was van door Bleeker, of door Laarakkers veroorzaakte kiek.  Voor de stelling van J. Droog, dat hij concludeerde dat de kiek uit het plantgoed kwam zien we geen enkel bewijs of onderbouwing.  Om zomaar iemand  zonder nadere aanwijzingen of bewijsvoering  als schuldige aan te wijzen lijkt ons onjuist en ook ongegrond.

Hoewel niet concreet per vraag zijn met het  formuleren van onze bevindingen hiermee ook de gestelde vragen beantwoord.  Zaken komen er dus ook op neer dat we  uit gaan van wat Groot stelt op pag. 9 van bijlage / document  10 a  onder  Dit leidt tot de volgende conclusies.

Onze conclusies;

  1.   Doordat Kiek in het grootste deel van de percelen niet voor kwam kon dit ook geen oorzaak van de slechte / halve oogst zijn, nu de oogst over de gehele linie slecht was.  Dit zou al als eindconclusie kunnen gelden.  Ook om andere reden  wordt groeischade en groei belemmering volstrekt onjuist geacht, zie verdere onderbouwing.
  2.   We confirmeren ons  aan de door Groot gestelde conclusies op pag.  9 bijlage 10a voornoemd,  die we als onderbouwd en aangetoond beschouwen.
  3.    Daarbij benadrukken we hierbij dat  kennelijk sprake was van een incidenteel iets wat  was opgelost en afgehandeld. Om dit later weer op te rakelen en oneigenlijk en kennelijk ook bewust veel groter te maken en tegen beter weten in  op te kloppen achten we onjuist en ook onbehoorlijk.

4.   Aannemelijk en  dankzij goede bewijsvoering en  de genoemde feiten en argumenten,  menen we een goede zekerheid te zien, dat de kiek aan het land, dus Bleeker was te wijten en niet aan Groot / Lico.  Het bleek ook in één perceel in het geheel niet voor te komen.  Wat J. Droog meende te constateren, heeft geen onderbouwing en  kan ook niet zo gemakkelijk en simpel  met een blik op een perceel worden vastgesteld.

Recta nos malum