12 F Rol Duijsens, beschrijving document

document    F

Bewijzen van de rol die we mr. Duijsens menen toe te kunnen rekenen, en een aantal van zijn leugens, en banden met Sweens.

In dit onderdeel begeven we ons op behoorlijk glad ijs, want Duijsens zal zo hard mogelijk terug willen slaan, en hij kan het naar anderen toe ook niet maken  om de zaken die hij zal benoemen als aantijgingen en aantasting van zijn eer en goede naam, over zijn kant te laten gaan, immers, als hij niets doet dan kan dat worden uitgelegd als dat hij erkent dat het allemaal waar is.

Ik ga dus vermelden wat de feiten zijn, en ook als daar harde conclusies uit zijn te trekken, en ik ga zaken en feiten beschrijven en mogelijk ook er bij schrijven wat daar de schijn van heeft, (want dat mag ik wel) en laat verder de conclusies, vaststellingen, en gedachtebepalingen aan anderen over.

Wat we hierbij benoemen en mogelijkerwijs ook aannemelijk maken, maar er geen harde beschuldiging op willen uiten is dat het er best wel aardig op lijkt dat er veel meer contact is geweest tussen Sweens en Duijsens, terwijl hij stelt dat er maar beperkt zakelijk contact is geweest.

Hoewel op diverse andere plaatsen ook beschreven, dienen we hier eerst de eerste aanknopingspunten te beschrijven. Bleeker was één van ca. 12 contracttelers die dezelfde kwaliteit plantgoed had ontvangen als de anderen maar ze  leverden ca. de helft aan oogst af, in kleine maten, die slecht verkoopbaar waren een strop van tussen de twee en drie ton.  Onbekend bij ons maar naar bleek had Bleeker de teelt door een landeigenaar zogezegd aan laten nemen, voor een lagere vergoeding zodat  hij het verschil in eigen zak kon steken. Dan zou hij de oogst wél zelf gaan verwerken, sorteren enz. voor een prijs gebaseerd op een normaal oogstgetal  en begrijpelijkerwijs dit zonder er rekening mee te houden dat een halve oogst mogelijk kon zijn. Daarvoor en daarna, is dit bij ons ook nooit meer voorgekomen.  Dit hield in dat zij geen 3,5 miljoen bollen verwerkten, maar ca. 1,8  losliggende kleiner bollen en daar meteen ca. 50.000 euro op bespaarden. Als je werk aanneemt, en je weet dat je, doordat je maar de helft teelt van waarvan uit werd gegaan, pakwel de helft minder aan kosten hebt dan vooraf berekend, en je steekt dat in je eigen zak, omdat de rechter vindt dat dat mag, dan vindt P. Groot (die dit schrijft), meneer Duijsens en mijnheer Bleeker DIEVEN  en rechters die dit goedkeuren diefjesmaat, maar ik gooi het even in de groep, wat vindt de lezer er van?

Net als bij een aanbesteding waren alle kosten bij de prijs inbegrepen, als je een huis laat aannemen maar je doet er geen deuren in om die kosten te besparen, dan doe je hetzelfde, als geen kunstmest strooien, en niet beregenen en nog zo het een en ander, mogelijk vooral door onkunde en gemakzucht van de onderaannemer, en bij ons voorbeeld van de aannemer zal iedere rechter vonnissen dat er deuren in moeten en als alles vochtig is geworden ook de schade betalen, en hoe is het mogelijk dat wij pakweg een halve ton extra voor de kiezen krijgen naast de schade van enkele tonnen. Ook daar mag de lezer naar raden, zou het kunnen komen dat er een advocaat in het spel is die goede contacten en netwerken heeft, en heel erg goed kan liegen. U mag er een tijdje over nadenken.

We hebben het over de heer Duijsens die ook een politicus is die claimt de betere mens te zijn, anderen de maat neemt, en pretendeert in deugdzaamheid boven al zijn collega politici (raadsleden) uit te stijgen.  Een van de zaken die we bezien, is de vraag, is die man eerlijk of is het soms wel eens willens en wetens een jokkebrokje.

Voor alle goede orde, om verschillende redenen zijn we er van overtuigd dat er allerlei zaken in negatieve zin samenvielen, maar dat Bleeker niet vooraf van plan was om geld te besparen door niet te beregenen en geen kunstmest te strooien. Ze hoopten op een regenbui die niet kwam en meenden dat die kunstmest er nog was, maar ze hadden er wel met hun geklungel een grote puinhoop van gemaakt. Opzettelijk of per ongelijk veroorzaakte schade daar behoor je voor op te draaien, die wetten gelden voor iedereen, maar veel beter is om je fouten te erkennen en de zaak te regelen, dus dat probeerden we. Er zijn twee gesprekken geweest,  en in het eerste gesprek kwamen we er niet uit maar de piketpaaltjes stonden en we spraken de intentie uit om er uit te gaan komen (in verslag 31-12-1999.  

Maar de tussenpersoon Bader vroeg daarna juridisch advies bij een gezworen vijand van Groot, ene mr. Venbroek en die adviseerde niets te schikken maar de zaak voor het scheidsgerecht van de Bloembollenhandel te brengen (een arbitrage commissie) te brengen, omdat die altijd in het voordeel van de contractteler oordeelden, maar juist om die reden sloten wij het scheidsgerecht uit en brachten we het d.d.  2 februari 2000  voor de gewone rechter.  Deze mr. Venbroek stelde (zoals Bader later zelf heeft verteld) dat deze Venbroek een collega had geadviseerd die goed was in dit soort zaken, zijnde mr. Duijsens, en zo is Duijsens op het toneel verschenen.

Van belang is het navolgende en dat brengt meteen de eerste bijlage. We hadden gesteld, een halve oogst, dan ook een halve betaling van de afgesproken vergoeding. D.d. 22 januari (of een dat daarvoor, belde ons ene hr. Straathof in hoedanigheid van correspondent van het scheidsgerecht, wat weer een officiële functie is in relatie met het officiële arbitrage instituut voornoemd.

Bijlage  F1.  (eerste bijlage bij dit onderdeel) Dit betreft een document d.d. 26 jan 2000, handgeschreven, niet al te duidelijk, maar de navolgende en onderstreepte zin is duidelijk leesbaar. Op januari 2000 heeft Lico (lees dhr. Groot) ons gezegd dat hij 2/3 wilde betalen en 1/3 niet”   vervolgd wordt “daar ging Bleeker Smit niet me accoord”.   Hiermee staat dus vast dat Groot erg ver ging in een poging om te voorkomen dat zaken in eindeloze rechtszaken zouden verzanden. Hij kende daarbij Duijsens al en wist dat hij bij de harde kern van de vijandengroep behoorde, vandaar dat Groot een schikkingsbod deed wat iemand in redelijkheid niet zou kunnen weigeren.

Duidelijk dient hierbij tussen de oren te komen dat Groot met een strop van tonnen, door de schuld van een ander veroorzaakt, er toch genoegen mee zou nemen dat Bleeker het door hem, middels zijn wanprestatie bespaarde bedrag, ook niet nog aanvullend in de eigen zak kon steken, als een netto extra opbrengst van de door hem gemaakte fouten. Ieder  redelijk en normaal mens zou daar op in gaan, en iedere advocaat zou zijn cliënt adviseren om dit direct te doen. Zo niet Duijsens. Uiteraard ontkend Duijsens het heftig, maar het ligt wel voor de hand dat Duijsens andere belangen dan dat van zijn cliënt liet prevaleren. In de wetenschap dat Duijsens andere motieven heeft, blijkt dat die motieven de doorslag gaven om deze Bleeker in zijn houdgreep te nemen en te houden, niet ten voordele van de cliënt, maar vanwege eigen moverende overwegingen.

Vervolgens gaan we naar bijlage/document  F2   zijnde een z.g. tussenuitspraak van rechter Blokland  (we hebben meer van hem gehoord, kennen hem dus al) van d.d.  20 augustus  2003.  Eerst schetsen we even de feiten en omstandigheden, we stelden dat we d.d. 2-02-2000  Bleeker hadden gedagvaard voor de door hem veroorzaakte schade.  We concluderen dus dat we  hier 3,5 jaar verder zijn.  In de (lange) loop van de procedures tot nu toe, stelt Duijsens steeds dat wij de procedures traineren en steeds weer andere zaken verzinnen maar zoals duidelijk in de uitspraak is te lezen heeft Duijsens een contract aangevochten wat toevallig niet was ondertekend, en waar, zoals u ook kunt lezen (of niet lezen maar ons geloven), dat er  (alleen nog) onduidelijkheid was over de eigendomsrechten (pag. 2 midden) dus niet over andere zaken dus of Bleeker zijn contract op deugdelijke wijze uitbehoorde te voeren, tijdig kunstmest strooien etc.

Dan blijkt uit dit document, dat zaken 3,5 jaar zijn vertraagd dus getraineerd omdat Duijsens de geldigheid van het contract aanvocht, en dat daardoor er getuigen zijn gehoord, en een reeks (deels meinedige) verklaringen onder ede zijn ontstaan.   Aangaande het bewuste contract is ook een oordeel van de deskundigen gevraagd  in het deskundigen rapport (onderdeel 5) die stellen dat er niets mis was met het contract, en dat “de Jong lelies”, aangaande eigendomsrechten, gelijke clausules hanteert. Wij stellen hier dus vast dat het Duijsens en Bleeker was, die deze rechtszaak onnodig en opzettelijk 3,5 jaar rekte, en dus later, middels pure leugenachtige beweringen, die zwarte Piet (als dat woord nog gebruikt mag worden) bij ons neerlegt.  Dit feit hebben we hierbij dus ook vastgesteld.

Het punt van groter belang is dat dit inmiddels het derde tussenvonnis is, en er ook een duidelijk beeld wordt gegeven van zaken en feiten die plaatsvonden. Dit is van belang omdat dit Duijsens direct ontmaskert daar waar hij totaal andere zaken beweert.  

Deze rechter, hier nog  in zijn goede en objectieve doen, stelt dat, vrij vertaalt, hij niet vast kan stellen of iedere contractbepaling door beide partijen werden erkent, maar dat wel vaststaat dat Bleeker de teelt op juiste wijze uit had behoren  uit te oefenen.  Hij stelt dat Groot dient te bewijzen dat de halve oogst aan fouten van Bleeker zijn te wijten, dus ook dat de beweringen van Bleeker dat het plantgoed niet deugde etc. op verzinsels en onwaarheid berustte.  Blokland stelt dus dat Bleeker de teelt naar behoren uit had behoren te oefenen en als Groot bewijst dat dit niet zo is dat zal hij doen wat de wet gebiedt zijnde Bleeker veroordelen tot betaling van de schade, waarbij hij rekening houdt met deskundigen rapporten en getuigen, dat Bleeker dan veroordeeld zal worden tot betaling van de veroorzaakte schade. Dit volgens de wetgeving zoals die is en zoals we die kennen.

Uit alles blijkt dat deze rechter denk dat Groot daarin ook zal gaan slagen.  Op dat moment was het onbekend welke bewijzen Groot had, er was nog niets ingebracht, dus ook Duijsens kon daar alleen maar naar gissen. In feite was er meer en harder bewijs achter de hand dan ze konden vermoeden, nu het faxverkeer was bewaard, en er handgeschreven opmerkingen van Bleeker op waren gemaakt, die boekdelen spraken en weinig ruimte boden tot verzinsels.

Deze rechter stelt evenwel voor om eerst een comparitie te houden, die zoals hij schrijft, “ook aangewend kan worden voor het beproeven van een minnelijke regeling”  Duidelijk is dat hij zaken in redelijke mate doorziet, en meent dat Bleeker veel beter alsnog met een redelijk schikking (redelijk van de zijde van Groot) akkoord te gaan.

Evenwel.  Dit tussenvonnis kwam als mosterd na de maaltijd. Dank zij de strop door Bleeker veroorzaakt, was het krediet bij Groot opgezegd, had hij een doorstart weten te realiseren, had het sadistische GUO, ten koste van het verspelen van 90.000 euro, en dankzij een rechter die failliet verklaren leuk vond, er een faillissement van de lege B.V.s doorheen gekregen, waardoor alle  lopende rechtszaken (dus ook deze), aan de curator vervielen.

Het bijzondere was dat diezelfde rechter Blokland ook R.C. was van Lico Teelt B.V. en het dus had gefiatteerd dat Sweens middels (pauliana) chantage, Groot 50.000 euro uit de zak kon chanteren, middels een overeenkomst waar de inkt op het moment van deze afspraak nog maar nauwelijks droog was. Hoewel op het vonnis op zich weinig was aan te merken, kan men de belangen toen al wel als enigermate verstrengeld beschouwen.

F2.  Dus het tussenvonnis zoals beschreven.

Bijlage  F 3   Het opvolgende document 3,  is gedateerd   7 maanden later.  Dit is de brief van Duijsens aan Sweens van  23-03-2004  waar al onderdelen van zijn ingebracht en besproken, en eigenlijk al veel meer over is gezegd. Deze brief is, als men het belang in wil zien, een zeer belangrijke, Deze brief legt de gehele werkwijze en manier van handelen van Duijsens bloot. Dit niet alleen t.o.v. ons, wat maakt dat ons meerdere lieden bekend zijn die anders  (beter, eerlijker) zijn en hem zeer verfoeien, maar zulke lieden vinden juist goede aansluiting bij lieden van gelijk allooi, die elkaar benodigen bij hun praktijken. Wat daar verder van mag zijn, de stukken en bewijzen spreken voor zich, en boekdelen.

Op dat moment waren de faillissementen een jaar oud,  wat Duijsens onmogelijk heeft kunnen ontgaan, en was Duijsens, als procespartij, uiteraard ook bekend met document  2, het tussenvonnis, en moet hij contact hebben gehad met Sweens, nu er daarna door ons geen actie meer is geweest, omdat Sweens zijn procespartij was,  en heeft hij ook geen verhinderdata ingeleverd, nu de zaak aan Sweens was, en Sweens tegen Groot al had gezegd dat hij geen zin in rechtszaken had, en Groot had gesteld dat volgens betrouwbare informatie, Bleeker na een gewonnen zaak (waar nooit aan is getwijfeld) dat deze  weinig tot geen verhaal zou bieden. Daar moet onderling over gecommuniceerd zijn. De zaak is dus door hen, in onderling overleg, stilgelegd, waar Groot niets meer mee van doen kon en mocht hebben anders dat informatie verstrekken. Het is onmogelijk om te veronderstellen dat er al niet met regelmaat onderling over is gecommuniceerd. Dit kan uiteraard op zakelijke basis zijn geschied, maar vast staat wel dat zowel Duijsens als Sweens, een ongezonde en onzakelijke hekel aan Groot hadden.

  1.  Ingebracht dus als bijlage F3 in dit onderdeel, achten we het van belang, om onze punten duidelijk te stellen en te onderbouwen, zodanig dat deze brief als het ware door ons wordt ontleed.

Wat Duijsens in de eerste alinea doet is zich van de domme houden en het voor doet komen dat het nieuw is voor Sweens, dat die rechtszaak loopt. Vervolgens brengt Duijsens als onderbouwing enkele gerechtelijke stukken in zoals Duijsens die al eerder bij elkaar heeft verzonnen, en doet het voorkomen dat daar de feiten en waarheden in stonden. Uiteraard had Sweens het procesdossier ontvangen maar kennelijk nog nauwelijks ingekeken nu hij had gesteld dat hij geen zin in rechtszaken had (ook al waren ze kansrijk), en zeker niet als hij van bewijzen afhankelijk was van een ander, en dat die ander ook stelde dat winnen en incasseren verschillende zaken waren.

In de volgende twee alinea’s verzoekt Duijsens om hun z.g. tegenvordering te erkennen, en op faillissementsverslagen en kansen op verhaal. Dit is uiteraard zijn goed recht, en aan de curator wat die met zo een verzoek wil doen.

Dan stelt hij dat er al jaren een conflict loop tussen partijen (waar Sweens uiteraard volledig mee bekend is) omdat Lico het opdrachtloon niet wil betalen, en gaat meteen op de stoel van de rechter zitten met zijn oordelen. Dit zou Sweens met een korrel zout hebben kunnen,, en behoren te nemen. Duijsens  stelt dat Groot moet betalen omdat “nou eenmaal” de teelt voor rekening en risico van de opdrachtgever plaats vindt. Sweens zou al voldoende kennis van zaken hebben gehad om dit als onzin aan te merken, iedere partij verplicht zich tot zaken en dient die uit te voeren. Hij is ook jurist en weet dat contracten nagekomen moeten worden. Wat daar verder van is, kan wel gesteld worden dat Duijsens Sweens tot daar aan toe al flink met onjuiste informatie op het verkeerde been probeert te krijgen. Onduidelijk is waar Duijsens de gestelde onzin vandaan haalt, en er bij stelt dat Lico het “in die tijd (welke tijd) uitdrukkelijk zo heeft gewild” een onnavolgbare maar verzonnen opmerking.

Vervolgens wordt gesteld: “Tussen partijen zijn nog wel besprekingen geweest maar de heer Groot heeft namens Lico aangegeven bereid te zijn slechts een klein deel te betalen. Cliënte heeft daar mee niet in willen stemmen, waar zij wel aan haar verplichtingen had voldaan”.   Hier staat weer niet dat Groot moest betalen omdat zaken (nou eenmaal), voor eigen risico kwamen. Hier lijkt Bleeker wel aan verplichtingen te moeten voldoen maar had hij dat allemaal goed gedaan. Een tegenstrijdigheid dus.

Maar we hebben bijlage F1 als eerste, duidelijk voor het voetlicht gebracht, nu  Duijsens naar Sweens toe het voor doet komen dat zij nog erg oplossingsbereid waren in overleg, maar dat Groot niets wilde.  Duijsens vermeld niet dat er al 1/3 wel was betaald (al meer dan een klein deel) maar Duijsens wist van het voorstel in F1 gedaan (dat had hij immers zelf afgewezen)  dus hij stelt hier naar Sweens toe, willens en wetens een grote leugen, dus gooit in feite een grote bak bagger over Groot waar hij zelf juist zeer onredelijk was geweest, en zoals we zullen zien gaat dit nog een tijdje door.

Dan zou Duijsens onaangenaam verrast zijn door de faillissementen, al aangegeven dat ook dit onzin was, mogelijk voor de Bühne zo gesteld, maar hij heeft zelf besluiten genomen (geen comparitie) en was dus op de hoogte.  Het doet meer voorkomen dat er zich inmiddels snode plannen hebben ontwikkeld en dat dit een officiële aanzet is daar naartoe. Vervolgens verergeren de leugens zich. Belastingtechnisch waren Evereg B.V. Lico Export B.V. en Lico Teelt B.V.  een economische eenheid, met een eigen vermogen van ca. twee miljoen, wat in het rampjaar mede door Bleeker flink in was geslonken in 1999 maar nog royaal positief. Dat ING Bank onnodig het krediet opzegde is achteraf duidelijk en probleemloos vastgesteld, waarmee ze zichzelf, ons en vele anderen onnodig met veel problemen opzadelden, is door ons gesteld maar wilde men niet aannemen (zie verklaringen van H. Veldman) maar wat achteraf met zekerheid kon worden bepaald. Het later (2009) verkocht bedrijf draait overigens momenteel ook nog als een tierelier. Wat Bleeker stelt zou uit de gegevens van de Kamer van Koophandel zijn gedestilleerd, maar zal niet geconsolideerd zijn, (bij elkaar opgeteld) of het is gewoon maar verzonnen. Het lijkt vooral op het laatste.

Groot citeert verder:  “Daaruit bleek dat ten tijde van het geven van de opdracht tot het verrichten van de contractteelt Lico allang een zwaar negatief eigen vermogen had. Voordat de bollen werden afgeroepen (ca april 1999) door Lico had zij zelfs een kredietopzegging ontvangen naar achteraf blijkt”.   Hoe Duijsens tot het verzinnen van deze grote leugen is gekomen is onduidelijk. Harde feit is dat deze bewering puur onjuist was, maar ook aan geen enkel iets kon worden ontleend of dat iets daar op wees of iets in die richting zou kunnen suggereren.

De volgende regel is ook onnavolgbaar, Duijsens snapt niet waarom het nog 2 jaar duurde voordat de zaak op de fles ging, evenwel van april 1999 gerekend  was sprake van twee jaar tot aan de doorstart, en vervolgens nog twee jaar voor de Sado actie van GUO plaats vond, ofwel hij zwamt maar wat uit zijn nek, als het maar beschuldigend en denigrerend is naar Groot toe is.

De volgende zin dan ook hierbij herhaald: “Toezegging van Groot in die periode om te betalen indien mijn cliënte er maar mee in wilde instemmen de helft van haar vordering af te boeken, komt cliënte dan ook ongeloofwaardig over bij kennisname van bijgevoegde stukken.”  Deze passage zou iedereen, dus ook Sweens, de geadresseerde en ontvanger, in grote verwarring achterlaten.  Over welke stukken heeft Duijsens het, waarschijnlijk bedoelde hij  zijn  eigen meegezonden  zeer sterk gekleurde versies.  Vreemd is dat hij het eerst had over “een zeer klein deel”, normaal en voor de duidelijkheid is het om daarbij een bedrag te noemen, in plaats van dergelijke vaagheid, maar hier stelt hij dat wij beweren dat we de helft boden, maar dat dit ongeloofwaardig voorkomt, ofwel hier beweert hij dan dat we (kennelijk) dat aanbod helemaal niet hebben gedaan. Bekend en vaststaand en duidelijk bewezen is dus dat 1/3 reeds was betaald, en we(F1) nog 1/3 hadden geboden en dat het resterende deel overeenkwam met alle door Bleeker niet gemaakte kosten zoals ook in 5 (rapportage) beschreven.

Onze vraag aan de lezer is, mogen we met recht en reden deze heer Duijsens een grote leugenaar noemen???

F4.  Ook het volgende bewijsstuk (Bijlage F4) krijgt een extra uitleg en verduidelijking om daarmee de punten die we willen maken te onderbouwen. Dit betreft een brief door Groot van Duijsens ontvangen, d.d. 15 april dus drie weken nadat hij voornoemde brief aan Sweens schreef.  Hoewel al hier en daar beschreven is het van belang zaken in de juiste volgorde en context te plaatsen, en de lezer ook op enig moment mee te laten denken.

Om daarbij een punt te maken dienen we toch even terug te kijken. We kunnen concluderen dat Duijsens hard roept dat Bleeker geen fouten heeft gemaakt, maar er tegelijk alles aan doet om te voorkomen dat zij daar bewijs van moeten leveren of zich tegen bewijs van onze zijde moeten gaan weren. Tot dan aan toe weet hij niet hoe hard we de feiten (die hij nadrukkelijk kent) hard kunnen maken, en wat we achter de hand hebben nu tot dan toe het kruit nog droog is gehouden, maar  de waarheid bewijzen is doorgaans wel te doen, dus daar kon hij bepaald niet gerust op zijn. Het was op zich al bijzonder dat hij deze strijd was aangegaan,  advocaten zonder agressieve en rancuneuze gevoelens naar Groot toe zouden zich hebben bedacht.

Hij meende dat hij inhoudelijke behandeling (in eerste instantie) kon ontlopen door op het scheidsgerecht aan te sturen. Dat mislukte, waarna hij het (in tweede instantie) probeerde door het contract aan te vechten, maar dat was feitelijk ook mislukt.  Gezien het tussenvonnis (2)   zou inhoudelijke behandeling niet te ontlopen zijn als de procedure door zou gaan.  Dat hij dat juist wilde ontlopen moge duidelijk zijn.  Als daar niet iets op kon worden bedacht zou de procedure doodbloeden en automatisch zich beëindigen, dat is opgelost door middel van het vervalste proces verbaal, en zou de (gekunstelde) mogelijkheid geven voor persoonlijke aansprakelijkheid. Dat plan is dus behoorlijk uitgedacht, waarbij we nooit achter de werkelijke toedracht zullen  gaan komen.

Deze brief kwam dus als een grote verrassing, omdat de rechtszaak stillag, maar nog wél gaande was. Dan is een privé aansprakelijkheid nog aardig voorbarig. Daar komt dan bij dat het duidelijk was, dat Duijsens tot iedere prijs probeerde om een inhoudelijke beoordeling zoals in het tussenvonnis was voorgesteld te voorkomen, dus als zo een beoordeling mogelijk aanstaande was, zou hij geen privé aansprakelijkheid toesturen. Dit maakt dat we op basis van het feit dat hij dit wél deed, mogen veronderstellen dat het plan van het vervalsen van het proces verbaal al stevig in de steigers stond. Dezelfde dag ontvingen we bericht van Sweens dat hij een vergadering plande d.d. 14-05-04  dus dit was allemaal al opgezet.  We maken hieruit op dat Duijsens meende dat er een goede kans was dat dit zou slagen, dat alles dus al onderling was besproken en dat de val op dat moment al open stond.

De inhoud is net zo gekunsteld als de vorige brief maar beperkt zich tot de totaal ongefundeerde en onterechte bewering dat we onrechtmatig hadden gehandeld bij aanvang en daarom als bestuurders onjuist hadden gehandeld. Nogmaals, dit was onmogelijk ergens op te baseren, had geen enkele grondslag en was een verzinsel.  Wel duidelijk is dat Duijsens op dat moment dit verzinsel had geselecteerd om ons te pakken te kunnen nemen, maar hij heeft dit later helemaal losgelaten en heeft dit voor een ander verzinsel ingeruild.

Bijlage F 5.   Weerwoord hebben we gegeven in een omgaand schrijven d.d. 19 april. Nu we jaren in het geheel niets hoorden namen we aan dat dit schrijven Duijsens tot rede had gebracht.

Beschreven is al dat het wel heel bijzonder was dat wij feitelijk naar de vergadering werden gelokt, waar alles anders dan verwacht en vreemd plaatsvond, terwijl al vast stond dat het voor de crediteuren nutteloos was en ook anders was afgesproken.

Ook dat  de griffier was weggelaten, haar handtekening optisch vervalst lijkt te zijn.  Mogelijke getuigen waren weggehouden door ze niet te informeren, en dat de inhoud van een belangrijke brief aan een soort groeps/briefverkrachting werd blootgesteld, dat de curator zich zeer partijdig opstelde, en dat naast al die vreemde zaken bleek dat niemand anders dan alleen  Duijsens belang had bij de vervalste inhoud, maar dat Duijsens stelt dat hij daar niet vanaf wist. Hij wist niet waar de curator mee bezig was, maar hij bleek wel over het proces verbaal te beschikken terwijl de inkt nauwelijks droog was.  De vraag is hoe geloofwaardig is het dat hij niets had geregeld en geritseld, terwijl we ook in dit onderdeel  duidelijk hebben aangetoond en bewezen hoe goed die meneer Duijsens kan liegen.

  1.  Een rechtszaak kan tijdelijk stilgelegd worden als de omstandigheden daartoe aanwezig zijn, zoals in het geval waar we het over hebben. Ook worden er termijnen gesteld waarbinnen men dient te reageren, maar die termijnen kunnen vaak opgerekt met uitstel.  Ook kan een zaak zogezegd “Op de parkeerrol geplaatst”, als men dat verzoekt en later weer worden geactiveerd. Als een zaak stilligt en geen van de partijen reageert of onderneemt iets, dan wordt zo een zaak na een bepaalde termijn, automatisch van de rol geschrapt. Om diverse redenen is dat iets wat voorkomt en niet eens echt een uitzondering is.  Wie een zaak niet meer uit wil procederen, om welke reden dan ook, kan volstaan met niets meer te doen, maar het is dus wél zo dat zo een zaak nog vrij lang weer geactiveerd kan worden.

Een ander mogelijkheid is het vragen van “Ontslag van Instantie”  Met zo een verzoek kan een partij de rechter verzoeken, de zaak officieel te beëindigen. Dat is een apart rechtszaakje, wat dus ook weer tijd en energie kost, maar ook geld, niet voor ons want dat was tussen Duijsens (Bleeker) en de boedel (Sweens). Op zich had Sweens daar verder geen belang bij  en je zou denken van Bleeker ook niet. Het was immers zo dat Bleeker stelde dat ze niets verkeerd hadden gedaan, en dus recht op de contractteelt vergoeding, dus het zou in hun belang zijn om hun beweringen te bewijzen en hun tegenvordering, zijnde de vergoeding, toegewezen te krijgen en te innen.  Dit zou je kunnen denken, maar we hebben al geconstateerd dat Duijsens onze bewijzen kennelijk vreesde en inhoudelijke behandeling tot elke prijs trachtte te voorkomen.  

Daarbij hadden we wel gesteld dat we de zaak niet over wilden nemen, nu we er vast op rekenden dat we de zaak zouden winnen, maar eerst nog pakweg 30.000 euro kosten zouden moeten maken, en dan merken dat er niets meer uit de zakken van Bleeker was te schudden, maar ook en vooral benodigden we onze tijd, energie en geld om het bedrijf op de rit te houden, vooral dankzij alle ellende die Sweens ons bezorgde.  Toch is het vreemd dat Sweens ons de zaak nooit (tegen betaling) heeft aangeboden.  Als hij de zaak aan had geboden (zelfs voor niets) hadden we in eerste instantie nee gezegd, maar al had hij er bij gezegd dat  Duijsens (zijn tegenpartij)  ons anders zelf aan kon gaan spreken, of dat Duijsens dit van plan was, of als we daar op andere wijze lucht van hadden gekregen, dan hadden we wel anders beslist en had hij zeker nog 5000 euro kunnen incasseren voor de boedel. Dit wijst er dus ook op dat ze onder één hoedje speelden.

Duidelijk is dat ze,  als ze zelf hun plan uit wilden voeren, dat kennelijk al vanaf de verificatie vergadering klaarlag, niet uit konden voeren als de zaak niet officieel zou zijn beëindigd.  Duijsens had dus belang bij die beëindiging wat het gemakkelijkste zou gaan als Sweens daar vol aan meewerkte, wat Sweens dus ook overduidelijk heeft gedaan.  Dat zou ook het moment zijn geweest om de zaak aan ons ter overname aan te bieden, en dat heeft hij dus duidelijk weer niet gedaan.  Nu wij na de brief van 15-04-2004 lange tijd niets hadden gehoord,  meenden we dat de zaak al zogezegd aan het versterven was.  totdat wij d.d. 21 juni 2005  een aantal zaken toegefaxt kregen. Dit betrof een brief van Sweens  Bijlage F6.  Daarbij was een (heel simpel)  deurwaardersexploot wat ik even niet terug heb gevonden,  en het proces verbaal, wat we inmiddels kennen. Dit was voor ons de eerste kennismaking en kennisneming van het proces verbaal. Daar is toen verder weinig aandacht aan gegeven nu wij meenden dat het voor ons geen enkel belang of wat dan ook zou hebben.   

Op het moment dat we dit kregen was het totaal onnavolgbaar voor ons wat hier verder achter stak. Voor ons was de zaak reeds doodgebloed, en leek het een nogal vreemde en nutteloze aangelegenheid, maar we hadden zeker de gedachte dat er wel wat achter kon steken, of eigenlijk wel moest steken. er werd ons door Sweens dus om een reactie gevraagd, terwijl het ons een zaak leek, uitsluitend tussen Sweens en Bleeker  en zagen we niet in wat we er verder mee van doen hadden.

Bijlage F 7.  Wel heeft Groot  (zie doc. 7) een reactie gegeven, die in ieder geval een duidelijk beeld van zaken weergeeft.  Dat we zeer geagiteerd reageren is om reden dat  Sweens al van dec. 2004 dreigde met een proces, ons in privé aansprak, duidelijk bedoeld om ons middels chantage nog meer geld te ontstelen.  We schrijven dus dat, als hij zo graag rechtszaken wil voeren, dat die tegen Bleeker dan kansrijk is, en dat niet doorprocederen de boedel te kort zou doen. Deze brief is verder een duidelijke bevestiging van de zaken die we beschrijven.

Op datgene wat we in de brief van 27-06-2005 schreven is van de zijde van Sweens geen verdere reactie gekomen. D.d.  25-oktober 2005 kregen we dan een vonnis toegezonden. Bijlage F8  Ook dat was meer de zaak van de boedel, dus Sweens, dan die van ons, daarin wordt dus de door Lico aangespannen zaak officieel ten Grave gedragen. Wij zagen daar verder geen probleem in, en hebben pas veel later begrepen dat dit een als noodzakelijk geziene move was, opgekookt door Duijsens en Sweens dit om voor ons het overnemen van de zaak onmogelijk te maken. Voordat  de dagvaarding van Duijsens, als een soort donderslag bij heldere hemel, uit de lucht kwam vallen, duurde nog bijna een jaar.

Als laatste document brengen we een compositie van twee zaken in. Het bovenste deel is een pagina uit het proces verbaal van de zitting van 19 mei 2008.  Daar is opgetekend dat Groot voorstelt om de zaak voort te zetten waar die was gebleven, zodat Groot bewijs van de fouten van Bleeker kon leveren. Natuurlijk was Duijsens daar toen fel tegen, na alle moeite om dat juist te voorkomen incl. vervalst proces verbaal.  Maar Groot wil een ander punt maken, Als de zaak in hoger beroep is geeft Groot aan dat hij dit heeft voorgesteld en Groot geeft op dezelfde pagina de reactie daarop van Duijsens weer. Die ontkent dat dit is aangeboden (vergeten dat dit in het proces verbaal is opgetekend), maar hier zien we Duijsens ten voeten uit. Dat zijn ontkenning onjuist en onwaar is zegt het bijgevoegde bewijs, maar hij kan het niet laten om Groot zo grondig mogelijk daarbij (dus zeer ten onrechte)  zwart te maken en te criminaliseren.  Dit is zeer exemplarisch voor de persoon Duijsens. weloverwogen  feiten ontkennen, maar ook geen gelegenheid onbenut laten om Groot zwart te maken en met modder te gooien.

Conclusie is dat in ieder geval enkele van de vele leugens die Duijsens standaard genereert, hierbij duidelijk als onjuist zijn bewezen, dus Duijsens ontmaskeren als leugenaar hoewel deze paar maar het topje van de ijsberg zijn. Tevens  kan de lezer er over nadenken of de bewering dat Duijsens niets van doen had met de totstandkoming van het proces verbaal, en dat hij maar beperkt zakelijk contact had met curator Sweens, aannemelijk en geloofwaardig is???.

Recta nos malum