12 E Bewijzen vervalsen Proces Verbaal

onderdeel   E

Bewijzen dat rechter Commissaris  H.A. van den Berg het proces verbaal van de verificatievergadering heeft vervalst. Dit in een complot met Sweens en Duijsens.

De zaken aangaande het bewuste proces verbaal zijn in onderdeel 6  uitvoerig beschreven, maar er zijn geen bewijzen bij gevoegd.  Hier zullen we die benoemen en inbrengen.

Een rechter die valsheid in geschrifte pleegt is corrupt te noemen en behoort te worden geroyeerd. Het is van onze zijde een ernstige aantijging en niet duidelijk bewijsbaar, hoewel alles er op wijst en het zeker benoemd kan worden als zeer aannemelijk.  Het duo Sweens/ v.d. Berg, had een motief, en de bewering dat Groot de vordering tijdens die verificatievergadering niet had erkend is zeer ongeloofwaardig.

Daarbij is het nogal normaal dat een ene partij het ene beweert, en de andere partij het andere. Volgens algemeen geldend recht en ook vervat in de grondwet dient een bestreden bewering bewezen te worden, een recht waar feitelijk niet aan mag worden getornd, ook b.v. niet in europees recht, en internationaal.

Het bijzondere hier is dat de aanname die rechters zijn gaan doen aangaande het proces verbaal, zoals dit is vastgelegd, door Groot worden bestreden. Groot kan zijn stellingen niet bewijzen, nu er geen film of geluidsopnamen opnamen of id. zijn, ook geen gespreksnotities van een griffier nu die niet aanwezig was, maar net zo min kan het duo Sweens/van den Berg bewijzen dat Groot onjuiste beweringen doet, met het verschil dat de aannames die steeds zijn gedaan onrealistisch zijn en de bewering van Groot vanzelfsprekend. Daar waar Groot zaken stelt die een duidelijk vermoeden rechtvaardigen van een calamiteit of misdrijf, is het ook altijd zo geweest dat de verdachte bewijs dient te leveren dat het vermoeden onjuist is.

Zeker geld het navolgende;  Groot heeft zeer veel pogingen gedaan aangaande verzoeken tot getuigenverhoor, en bewijsaanbod, die alle zijn afgewezen, op basis van gekunstelde beweringen en redenen, terwijl volgens geldend recht, het juist zo dient te zijn dat er slechts zelden de gelegenheid tot het geven van bewijs, en verzoeken daartoe wordt geweigerd.  Recht is gebaseerd op de waarheid dus op waarheidsvinding dus de instrumenten en mogelijkheden daartoe mogen niet worden ontzegd of geblokkeerd.

Evenwel, tot nu aan toe door zeker inmiddels enkele tientallen rechters, zijn de bewijsmogelijkheden  ons ontzegd, zeg maar gewoon getraineerd en gesaboteerd. Alles wat afwijkt van het normale moet een reden hebben en als die reden niet geheel helder is dan gaat men al snel uit van datgene wat het meest voor de hand lijkt te liggen in relatie met een aanwezig motief.  We benoemen ook dat bij de in zwang zijnde integriteit onderzoeken  reeds de schijn van niet integer zijn iemand al zo ongeveer veroordeeld. Naast simpele zakelijke vaststellingen is uiteraard integriteit van personen met rechtspraak belast, en in opdracht van de overheid handelende personen, zoals curatoren een zaak die in het geding is.

Nu zaken inderdaad zeer afwijken van het normale en het een belangrijke en voor de hand liggende reden lijkt te zijn, dat rechters er belang aan hechten om primair hun collega, die het proces verbaal vervalste, in bescherming te nemen en uit de wind te houden, maar secundair dan weer al die collega’s  die aan die cover up meewerkten, en ook hielpen om het doel van de vervalsing te realiseren, dus zichzelf medeplichtig hadden gemaakt, te beschermen, wat van kwaad tot erger is gegaan.

Groot stelt hierbij dat de feitelijk rechtsverkrachting, door Groot stelselmatig de geldende rechtsmogelijkheden en bewijsmogelijkheden te onthouden, de bewijzen negeren, en op basis van ontbrekend bewijs dus ongemotiveerde aannames te oordelen, en zelfs te stellen dat zaken in de perceptie van Groot zijn ontstaan, ofwel Groot wordt zonder enig bewijs of onderbouwing als fantast en querulant weggezet, dat dit het duidelijkste en beste bewijs is dat zaken zeer mis zitten, te beginnen bij het vervalste proces verbaal.

In te brengen bewijzen en documenten;

Bijlage  E 1.   Het proces verbaal zelf. Dit is al uitgebreid besproken,  en beschreven,en ook gesteld dat Groot, als aanwezige, uit eigen wetenschap weet dat zaken heel anders zijn geweest en gegaan. Hier merkt Groot alleen op dat hij de vordering altijd heeft ontkent en dit ook ter vergadering heeft gedaan wat ook vanzelfsprekend is, nu er over die vordering een rechtszaak gaande was.  

Verder valt op dat Groot niets zou hebben gezegd, de gehele vergadering niet wat uitzonderlijk zou zijn en zeer ongeloofwaardig, maar ook vreemd en ongeloofwaardig is dat aan hem geen enkele vraag is gesteld. De R.C. (als die neutraal was geweest) en de curator waren er mee bekend  dat Duijsens broedde op een rechtszaak tegen Groot,( vooral uit rancuneuze overwegingen), en  ook dat Groot het belang niet in kon zien uit onkunde. Slechts doorgewinterde juristen kenden de lacune in de wet, en de valkuil waar met Groot in heeft laten lopen.

De simpele vraag had aan de orde dienen te komen of Groot de vordering wel of niet bestreed, en dit had vastgelegd dienen te worden.  Dat dit niet is geschiedt geeft aan dat de R.C. en de curator daar een reden voor hadden gehad, wat geen andere kan zijn als dat ze Groot er in wilden laten lopen, dankzij zijn argeloosheid, vertrouwen in rechters, en het rechtssysteem, en gebrek aan juridische kennis.  Er van uitgaande dat zaken zijn zoals gesteld dan is er sprake van opzettelijke misleiding.  De werkelijkheid is uiteraard, zoals aanhoudend betoogd, dat het zodanig is gefikst (zoals de opvolgende feiten hebben geleerd) dat Groot er mee in de vernieling kon worden geholpen.

Wat op basis van dit document als  vaststaand is bewezen is,

  1.  Dat er niet in staat vermeld of Groot de vordering wel erkende of niet erkende.  
  2.   Dat Groot ook geen enkele vraag dienaangaande is gesteld om dit duidelijk te krijgen  en duidelijk vast te leggen. Dit terwijl zowel de curator als de R.C. bekend waren met de intenties van Duijsens, en dus met het belang voor Groot van vastlegging.

Bijlage  E2.   Deel van de brief van Duijsens aan Sweens van 23-03-2004  met uitleg van betekenis en te trekken conclusies.

Bijlage 3.   Op instigatie van Duijsens blijkt dus toch een onnodige verificatievergadering te zijn opgezet.  Groot wil op basis van gewisselde correspondentie een aantal punten vaststellen.  

Allereerst stelt Sweens later dat iedere vordering ter vergadering uitvoerig in besproken, een puur onjuiste bewering. Zowel nin bijlage E3, de brief van 28-04-2004, als die van  E 5.  29-04-2004  informeert Groot de curator volledig aangaande alle aanwezige vorderingen en welke wel en niet zijn erkent. Allereerst was dit dus klip en klaar maar ook was bekend dat de concurrente crediteuren niets zouden ontvangen. Sweens deed het nog voorkomen dat dit niet zo was, maar Groot informeert hem ook dienaangaande. Nu alles daar duidelijk was, en ook van geen belang is er ter vergadering met geen woord over de reeds besproken vorderingen meer gewisseld.

Gemerkt in brief E 3 (28-04) ook de laatste passage m.b.t.  Bleeker Smit.  Uiteraard was Groot onbekend met de brief bijlage 2, en het feit dat er kennelijk af veel communicatie onderling over gaande was. Groot informeert objectief en naar behoren, en stelt dat het winnen van die zaak zeer wel op incassoproblemen kan stuiten vanwege geen veren op de kale kikker. Nogmaals voor alle duidelijkheid, Groot kon op dat moment geen enkele vermoeden hebben dat er buiten zijn waarneming, uitgebreide communicatie en plotting plaatsvond met Duijsens en dat zaken doorgestoken kaart waren.

Bijlage  E4.   Brief van Sweens, Bij nader inzien een vreemde en tegenstrijdige brief, Sweens stelt dat er in Lico Teelt preferente vorderingen zijn. Dit zou ingehouden hebben dat die B.V. buiten de vergadering zou vallen en daarbij de vordering van Bleeker die in die B.V. viel.  Dan stelt hij dat er in Lico Export geen preferente vorderingen zitten dus dat de vergadering voor die B.v. weldegelijk zin heeft. Opmerkelijk is dat hij dringend verzoekt om mede te delen dat Groot aanwezig zal zijn. Bekend is dat hun plan zonder aanwezigheid van Groot niet kon slagen en Groot al mede had gedeeld dat hij er zijn tijd niet aan wilde gaan verknoeien.

Bijlage  E5.  Dezelfde dag antwoord van Groot, Groot is duidelijk geïrriteerd wat ook zeer begrijpelijk is. Groot stelt dat er weldegelijk ook een preferente vordering bij Lico Export aanwezig is, in de onderstreepte alinea geeft Groot aan dat de vergadering en de te maken kosten derhalve nutteloos en zinloos zijn. Op de tweede pagina stelt Groot het later meermalen herhaalde, dat hij alle z.g. oude schulden zelf zou hebben afgehandeld, maar dat nota bene de curator hem daarbij over alle kanten dwarszit. Die brief spreekt verder voor zich.

Bijlage E6.   Pag.  2 van een brief / verslag  van 7 mei 2004 ten behoeve van de verificatievergadering.  Hier blijkt   48.808,56  preferent te zijn, terwijl Sweens op dat moment al ca. 20.000 zelf had gedeclareerd, dus het geld was al royaal op.  Uit de onderstreepte zin blijkt dat hij zelf stelt dat de vergadering nutteloos en nodeloos is. Met normaal gezond verstand annuleer je zo een vergadering, tenzij je een andere reden voor de vergadering aanwezig is. Voor Groot een extra bewijs dat het een opzetje was met een ander doel.

Ook de bewering dat hij eerst over onjuiste informatie beschikte is onjuist, de juiste gegevens waren hem al bij aanvang van het faillissement verstrekt, hij moest iets verzinnen, om de nep vergadering toch door te kunnen laten gaan.

Bijlage  E 7.  De aap kwam uit de mouw in de brief die 12 mei  om 4 uur s middags werd gefaxt. Zo kort voor de vergadering was de kans uiteraard groot dat we gewoon geen gelegenheid hadden om de volgende dag te reageren (volle agenda, afspraken, klanten enz.) en dat zal ook uitgekiend de bedoeling zijn geweest. Deze brief is ook zeer bevreemdend nu een curator de bevoegdheid heeft om een vordering te erkennen, ook als een gefailleerde daar gemotiveerde bezwaren tegen heeft. Die bezwaren kunnen hooguit als advies ter overweging gelden, maar geen beslissing verhinderen.

Wat Sweens, vrij vertaald stelt, is dat hij  op de stoel van de rechter is gaan zitten en heeft bepaald dat Bleeker de zaak gaat winnen. Bekend is dat Duijsens dit bij hem heeft ingefluisterd, maar hier klopt iets gewoon helemaal niet. Bleeker is onze tegenpartij en door het faillissement dus ook de tegenpartij van Sweens. Het is vreemd dat je je informatie verkrijgt van je tegenpartij. Om een objectieve inschatting en overweging te maken had het ten volle in de rede gelegen dat Sweens aan ons had gevraagd of wij over goede en deugdelijke bewijzen beschikten want dat was nog onbekend.  En datgene wat hij had behoren te doen heeft hij nu juist niet gedaan.  Dit is simpelweg absurd te noemen, puur abnormaal en buiten iedere orde.  Voor ons wederon extra  bewijs van partijdigheid en vijandigheid t.o.v. Groot.   

Wat hij stelt is dat wij tijdig voor de vergadering (terwijl er nauwelijks tijd was)  argumenten dienen te geven om de betwisting te handhaven, terwijl dit zijn eigen zaak is waar wij buiten staan, maar kennelijk was de opzet dat, bij geen reactie, ze (Sweens en Duijsens) zouden gaan roepen dat Groot niet had gereageerd dus het er mee eens was. Dat dit allemaal een farce was blijkt wel uit het feit dat Groot zoals we gaan zien, weldegelijk heeft gereageerd, maar dat Sweens daar niets mee deed, die reactie niet alleen negeerde, maar   de inhoud van die brief ook verdraaide, net als anderen wat Groot een groepsverkrachting van een brief heeft genoemd, wat vervolgens weer bewijst dat die brief hun plannen doorkruiste, en hen (iedereen die aan de groepsverkrachting van die brief meedeed, meer speciaal alle betrokken rechters) danig in de wegzat, maar ze zich arrogant en machtig genoeg vonden om met de in de brief genoemde waarheden en feiten, wat rond te stuiteren en feiten te negeren..

Bijlage  E8.    Dit is dus de reeds voornoemde brief, gefaxt naar Sweens d.d. 13 mei 2004 om 11,08.  Die brief is duidelijk en had dus gewoon geldend behoren te zijn. Als lieden zoals Sweens, partijdige rechters, en Duijsens, er alles aan doen om de inhoud te verdraaien, of te ontkennen dat de brief verzonden is, dan bewijst dat, dat er wat aan de hand is, dat men redenen heeft om de feiten te verdraaien en een andere betekenis wil geven dan bewijst dat simpelweg dat de zaak stinkt aan alle kanten.  

Aanvullende opmerking;  Zoals we ook bij bijlage E3 en E5 zien gebruikte Groot het briefpapier van de doorgestarte B.V.  Dit al vanaf het begin. Dit had niet geheel de juiste naam maar wel de adresgegevens enz. en dit had Groot bijdehand. Dat hij de brieven schreef en ook voor wie en namens wie was vanuit de inhoud wel duidelijk. In latere instantie stelde Duijsens dat deze brief door Lily Company B.V. was geschreven en daarom geen geldige inhoud had. In eerdere instantie was dit nooit door hem opgeworpen.  Dit bewijst:                                                       a. Dat hij kennelijk meende dat de inhoud van die brief, die gewoon zakelijke zaken weergaf, hen en hun criminele intenties in de weg zat.                                        b.  Hoe ontzettend flauw en ook gemeen Sweens is.

Bijlage E9.  Compositie van 2 delen uit gerechtelijke stukken met commentaar. Dat dit proces verbaal zo een giftig stuk papier kon zijn, had Groot onmogelijk geleken.  Pas  na het vonnis van 27-08-2008 bleek het onmogelijk geachte dus toch mogelijk. Groot had het proces verbaal doortoeval in handen gekregen, 14 maanden na de vergadering, pas vier jaar na de vergadering werd de intentie en het gevolg duidelijk en werd dus al duidelijker dat sprake moest zijn van een complot en een opzetje.

Bijlage  E10.   Het navolgende document geeft ook sterk bewijs van de partijdigheid en kwade opzet en trouw van de curator.  Naar bleek  kon men volgens wettelijke regel, en verzoek tot verbetering van een proces verbaal doen, wat een aparte rechtszaak inhield.  Fouten (of vervalsing)  zijn door een rechter begaan met de staat als verantwoordelijke. Een curator is daarbij nauwelijks een partij, en deze dient ook strikt neutraal tussen partijen te staan. Als die partijdig naar de ene partij is, en vijandig tegen de andere partij dan is er iets goed mis.  

Door Groot is verbetering verzocht, maar daar bleek dat de curator zogezegd verweer voerde  tegen zaken die niet eens tegen hem gericht waren, waarbij hij ter zitting een verweer in bracht dat we hier inbrengen als bewijs van zijn partijdigheid, maar ook agressie.  In dit verweer stelt hij dus ook dat de brief van 13 mei 2004  ongeldig is want door Lily Company B.V. geschreven.  Als een curator niet neutraal tussen partijen staat bewijst dit dat hij belangen van anderen verdedigd, dus eigen belang heeft dus partijdig is.  Het bijgevoegde verweer van Sweens laten we als inhoud onbesproken en voor zichzelf spreken.

Opgemerkt dat Sweens aan alle kanten en op allerlei manieren probeert om de brief van 13 mei 2004 een onjuiste betekenis te geven.  De beoordelende rechter was uiteraard ook een directe collega van vervalser van den Berg, en die kwam met en belachelijk vonnis door te stellen dat Groot “onmiddellijk nadat het ter inzage lag ”  om verbetering had moeten verzoeken (in de wet staat geen termijn, en ook dat de brief van 13-05-04 niet tot het dossier behoorde. Hier is veel meer over te schrijven, maar dit is al gedaan in 6.  

E11, E12, E13.   Hier gaat het over het overleggen van bewijzen. Groot herinnerde en realiseerde zich dat er geen griffier  aanwezig was geweest op de vergadering, terwijl dit wel werd gemeld en er ook een handtekening onder stond. Uiteraard herinnert iemand het zich of er drie of vier personen aanwezig zijn in een kleine vergaderkamer, maar het was lang terug en pas na vijf jaar bleek dat Groot er in was getuind. Zijn advocaat vroeg de aantekeningen van de zitting op, die bleken zoekgeraakt te zijn, waarna Groot zich herinnerde dat er niet was zoekgeraakt, maar dat ze nooit waren gemaakt, ook de R.C. maakte geen notities.

Bijlagen E 11, E 12 en E 13.  Op bijlage E. 11 geeft Groot extra uitleg aangaande deze bijlagen.

Dit leidde er toe dat door een jurist, mr. van Meel, (komen we vaker tegen) gesteld werd dat dan de vergadering ongeldig zou zijn geweest maar verzoeken tot getuigenverhoor werden afgewezen. Dit leidde er wel toe om zaken nog  wat verder te onderzoeken, wat er toe leidde dat bleek dat in ieder geval 3 crediteuren geen bericht hadden ontvangen. Voor Groot werd alles duidelijk, een griffier moest wel weggelaten worden nu die anders aan crimineel handelen mee zou moeten werken.  Lange tijd was de gedachte dat ze op verzoek in goed vertrouwen had getekend. Hoewel griffiers ook gewoon kunnen liegen, probeerden we toch haar als getuige gehoord te krijgen wat werd gedwarsboomd.

Ook het  niet informeren (zoals de wet verplicht) kon worden verklaard, nu Sweens er mee bekend was dat lang niet iedere crediteur vijandig stond tegenover Groot.  Als zij de vergadering zouden bezoeken, zou  dit ongewenste getuigen op kunnen leveren. 3 maanden na het ontdekken van bedrog kan men een procedure starten om recht te verkrijgen wat op basis van de drie getuigenverklaringen is gedaan. Inmiddels zijn  ook die processen verloren, o.a. doordat gesteld werd dat de griffier “in de perceptie van Groot”  ofwel, en dit zonder enig bewijs, werd verondersteld en aangenomen, dat de fantasie van Groot met hem er vandoor was gegaan. Als rechters wetten niet naar behoren uitvoeren heeft zo een wet uiteraard ook geen zin en waarde.  Groot brengt die bewijsstukken hier onder de aandacht als nr.  E 14, verklaring Noor  E  15  verklaring  Wijnker en E 16 verklaring BDO.

Inmiddels werd een andere ontdekking gedaan, namelijk er werd een brief met de handtekening van de griffier gevonden die aanzienlijk afweek van die onder het proces verbaal.  Dit scheen een ander licht op de zaak. Het idee dat de griffier niet aanwezig was (waar Groot zeker van is) maar wel had getekend (wat heel goed mogelijk was), heeft plaatsgemaakt voor de gedachte dat deze griffier in het geheel niet betrokken is geweest, maar dat de R.C. eigenhandig een nagemaakte handtekening heeft gezet. We voegen  de handtekening die onder het proces verbaal staat bij, en een handtekening onder een brief die (wel) van mevr. Beumer is.  Het behoeft weinig betoog, dat hier duidelijke verschillen te zien zijn.  Onze pogingen om als bewijsaanbod dit  nader te laten onderzoeken,  door een grafologisch deskundige zijn uiteraard ook getorpedeerd en van tafel geveegd, kennelijk omdat een corrupte collega niet ontmaskerd mag worden.

De brief van Griffier Beumer kregen we 8,5 jaar later,  en pas in 2015  kwamen we tot een vergelijking.  Onze conclusie is dat de direct zichtbare verschillen zodanig groot zijn, dat er alle reden is om aan te nemen dat die niet door Beumer is geplaatst. Dit kan dan alleen mr. H.A. van den Berg zijn geweest, die ook kennelijk weinig moeite heeft gedaan om een goede vervalsing te creëren. Mocht v.d. Berg onze visie en bewering bestrijden dat is het verschil zodanig groot dus aannemelijk, dat hij het tegendeel zal moeten bewijzen.

Als bijlage E.  17,  voegen we bij de brief van Beumer van 20 november 2012  met daaronder het onderste stuk van het proces verbaal gekopieerd.  Als  E 18  voegen we nog een uitvergrote versie bij. De lezer kan deze bezien en een eigen gedachte bepalen.

Ons voornemen is om ook alle vonnissen op de site te  gaan zetten met enig commentaar per vonnis.  Al die zaken zijn tijdrovend, nog even geduld dus gevraagd dienaangaande.

Recta nos malum