10a Basisdocument Ernstig Verwijt

VERZOEK TOT NADER ONDERZOEK VAN ZAKEN AANGAANDE RECHTSVERLOOP IN EEN CASUS.

Verzocht wordt een oordeel en rapportage van één / enkele onpartijdige vooraanstaande juristen die kennis nemen van zaken, dienaangaande een aantal gestelde vragen beantwoorden, en in een korte samenvatting een eind oordeel / eindconclusie geven.

Ongeacht wat de eindconclusies zijn, dient de rapportage te kunnen dienen voor ieder doel wat daarmee nuttig en nodig kan zijn. Dus ook in mogelijke rechtszaken, ten behoeve van discussies dienaangaande, en mogelijk ook publicitair.

  1.  Zaken blikken terug en zijn gebaseerd op de feiten zoals die zich voor hebben gedaan in een reeks van rechtszaken die plaats hebben gevonden tussen twee partijen, partij Groot en partij  V.O.F.  Bleeker Smit.  Partij Groot verzoekt om deze rapportage, omdat hij zelf de stellige mening is toegedaan dat aan hem consequent onrecht is aangedaan, dat daarbij het rechtssysteem dus niet naar behoren functioneert en hij consequent en doorlopend stellig is benadeeld.  Wat daar verder dan van moge zijn, is aan de te benoemen deskundigen aangaande hun onpartijdige oordeel dienaangaande.
  2.  Enerzijds zijn (rechts)zaken in hoofdzaak tot eindoordelen gekomen, anderzijds zijn er nog (rechts) zaken opnieuw ingesteld en dus nog volop gaande, zaken vonden hun oorsprong in 1999, en gaan dus bijna hun 16 e jaar in.  Groot had bij aanvang van de geschillen een royaal schikking aanbod gedaan wat door de tegenpartij was afgewezen. In 2003  had Groot de door hemzelf in 2000 aangespannen zaak niet meer voort willen zetten, maar in 2006 is partij Bleeker zelf tot voortzetting van zaken gekomen.  Daarbij zijn zaken inmiddels zeer complex geworden en de dossiers etc. zeer veelomvattend.
  3.  Om zaken niet te gecompliceerd en te ondoorzichtig te maken, zal Groot trachten om zich tot enkele z.g. aparte zaken te beperken. Dit zijn wel belangrijke hoofdzaken en daarbij zal Groot zich trachten te beperken tot concrete vraagstelling op diverse onderdelen daarvan.  Het zal er dus vooral om gaan om een aantal duidelijk antwoorden te krijgen op een deelonderwerp in het gehele gebeuren. De belangrijkste vraag die Groot graag beantwoord wil zien is;   “Heeft Groot in het gebeuren zoals dit zal worden aangedragen en beschreven, in deze nog nader te omschrijven casusomschrijving, Paulianeus gehandeld, en is Groot een ernstig verwijt te maken (zoals is gedaan), en heeft Groot op enige wijze crediteuren benadeeld.
  4.  Dit is de hoofdvraag,  dit is zogezegd in rechte vastgesteld tot in hoogste instantie, terwijl Groot zelf in de volle zekerheid verkeert dat exact het omgekeerde het geval is, namelijk dat Groot juist alles in het werk heeft gesteld om grote kapitaal vernietiging te voorkomen, wat niet eenvoudig was, maar wél is geslaagd, en daarbij juist de belangen van de crediteuren voorop gesteld, een mening / stelling die volledig wordt ondersteund door de direct betrokken adviseurs, die dit naar Groot aanneemt kunnen en willen bevestigen, maar dit reeds in verklaringen hebben vastgelegd. Natuurlijk kan daar heel wat meer van zijn en van worden gezegd. In ieder geval zal worden getracht zaken niet gecompliceerder te maken dan ze zijn, door details en nuanceringen die er weinig aan toe of af doen buiten beeld te houden.  Ondanks dat kan niet worden voorkomen, dat het een omvangrijk document zal worden.
  5.  Wat Groot derhalve primair en in hoofdzaak verzoekt is om de onpartijdige deskundige(n), te voorzien van de feiten en de gegevens, om op eigen en onpartijdige wijze, met kennis van recht, rechtskunde en jurisprudentie, te bepalen of zij ook de bovengestelde mening kunnen gaan ondersteunen.  Daarbij opgemerkt dat dit in procedures die plaats hebben gevonden niet het geval is geweest. Als zij de mening van Groot ondersteunen, zullen ze derhalve een tegengestelde mening hebben als de mening die meerdere rechters in vonnissen hebben vastgelegd. Het opmerkelijke is evenwel dat er ook een vonnis is dat wel tegengesteld is en voornoemde mening steunt. Er wordt dus zeker wel iets van de beoordelaar gevraagd nu hij / zij volkomen onafhankelijk en objectief dient te zijn, in de wetenschap dat er al uitspraken bestaan, en ook in de wetenschap dat zijn / haar oordeel tegengesteld, dus kritisch kan zijn naar directe collega’s, of althans mede juristen, en in dit geval ervaren en beëdigde rechters. Hierbij geld dat het gegeven dat het juist het kenmerk van de volstrekt onpartijdige dient te zijn dat ze vanuit hun kennis en kunde oordelen, op basis van zaken en feiten ongeacht welke omstandigheid dan ook.
  6.   Dat Groot stellig en met zekerheid aangeeft wat hij zelf van mening is, komt er uiteraard uit voort dat niemand beter dan Groot zelf, de ware toedracht en werkelijke feiten in de betreffende zaken kent. Groot kent en kende zijn eigen gedachten en beweegredenen en motivaties uiteraard het beste, en weet dat hij alles naar beste weten en kunnen heeft geregeld en zoals gesteld, naar zijn weten zijn anderen, zeker de betrokken adviseurs, ook die mening toegedaan. Aan het einde van dit document geeft Groot dit nog extra aandacht. Groot weet dus ook dat beschuldigingen, die anderen hebben geuit, om daarmee eigen voordeel te kunnen behalen, verdraaide waarheden of opzettelijke en vooropgezette verzinsels zijn. Groot zal op één en ander dus nader terugkomen.
  7.   Enerzijds zou het niet ter zake doen, hoe er dan toch, in dit geval zelfs vonnissen tot stand zijn gekomen, die doordat ze op onjuiste zaken en feiten zijn gebaseerd, door het aannemen van die onwaarheden, in feite ook automatisch onjuist zijn geworden. Een onderzoek hoe dit kwam, en heeft kunnen ontstaan wordt niet verzocht, en dient ook niet eens mee te worden gewogen, nu er alleen om een beoordeling van de juiste zaken en feiten wordt verzocht in de context van de vraagstelling, aangaande het ter discussie gestelde handelen van Groot. Anderzijds zal Groot, omwille van het begrijpelijker maken van zaken, dienaangaande nog wél op één en ander in moeten gaan, en zo duidelijk en volledig mogelijk moeten zijn.
  8.   Wat ook niet beoordeeld behoeft te worden, maar wat Groot zelf als mening geeft, is dat recht, en een rechtsstaat, naar behoren behoort te functioneren. De rechtszekerheid voor de burger behoort een groot goed te zijn, en die burger behoort daarop te kunnen bouwen. Daarbij kunnen wetten op zich goed en doordacht zijn. Wat dan mis kan gaan, en wat naar de mening van Groot dus ook zo hier het geval is, is dat degenen die de wetten moeten handhaven en uitvoeren dit op correcte wijze, volgens de regels, en dit zonder verstrengeling van belangen dienen te doen. Dit ook zorgvuldig doen, en daarvoor ook de benodigde tijd nemen, niet slordig en ook zonder vooroordelen. Door zaken zo te noemen kan daar al uit opgemaakt worden dat Groot meent dat daar zaken gewoon miszitten.
  9.    Hieraan kan nu al worden toegevoegd dat Groot telkenmale weer beduusd en geheel van zijn stuk was gebracht over hoe zaken gingen en verliepen. Door de z.g. tegenpartijen van Groot werden nagenoeg uitsluitend verzonnen en onjuiste beweringen ingebracht, en dit steeds en uitsluitend zonder enig bewijs. Groot bestreed die zaken, en bracht wel bewijs in, maar desalniettemin werden de beweringen van de tegenpartij klakkeloos door de diverse rechters overgenomen.  Als wetten goed zijn, maar de uitvoerders fout, ontbreekt ook rechtszekerheid.
  10.  Na de genoemde zaken, feitelijk meer bedoeld als introductie en als algemeen te benoemen zaken zal meer concreet in worden gegaan op de zaken die spelen en waarvoor beoordeling wordt gevraagd. Heel kort zal op de oorsprong en achterliggende casus in worden gegaan, maar  in dit verzoek en basis document zal zeer kort inhoudelijk op zaken in worden gegaan, omdat er een aantal bijlagen bij worden gevoegd van eerdere datum, die zaken veel gedetailleerder en uitgebreider beschrijven, en dus ook de (zeer) verkorte versie onderbouwen, die we in later stadia gaan beschrijven. We benoemen die documenten als Document 1 t/m/ 4.  
  11.   Bijlagen  die zijn bijgevoegd betreffen;

Document  1.`In april 2014 is een overzicht gemaakt van gebeurtenissen en rechtszaken ten behoeven van mr. van Meel die nieuw in deze zaak kwam. Daarin staan de opvolgende rechtszaken vermeld, met korte beschrijving. Bij dit document waren ten behoeve van ontvanger ook de genoemde uitspraken gevoegd, die zijn hierbij vooralsnog weggelaten (daar gaat het niet om) maar zijn alle zonodig stand by. een aantal, of delen daarvan, zullen we wel aan de orde stellen in verband met de vraagstelling aangaande pauliana etc.

Document  2.  Gedocumenteerd  20 maart 2012,  benoemd als korte beschrijving, in werkelijkheid niet erg kort, maar er zijn nu eenmaal veel zaken gepasseerd, en zaken dienen voldoende duidelijk te zijn. Op dat moment had het Hof in Amsterdam Groot in het ongelijk gesteld, maar is nog cassatie beproefd. De echte aanleiding (als die er was) is niet helemaal duidelijk, in ieder geval gediend als informatie voor cassatie advocaat.

Document  3.   Gedocumenteerd  d.d.  11-09-2007.   Dit is geschreven om belanghebbenden en geïnteresseerden te informeerden. Groot had afspraken met crediteuren om op goede en morele gronden tot afhandeling te komen van de openstaande posten van z.g. oude schulden, zijnde de posten die nog openstonden toen het bedrijf technisch failliet was door krediet opzegging van ING Bank, en zaken middels een z.g. doorstart in een andere BV. z.g. was doorgestart.  Bij dit document dient duidelijk te zijn dat Groot op dat moment niet alle zaken duidelijk had. Het belangrijkste daarvan was dat maar beperkt in werd gegaan op de z.g. Bleeker zaak (pag. 13 nr. 7)  die toen al wél gaande was, maar op zoveel onwaarheden was gebaseerd dat het voor Groot onmogelijk leek dat Bleeker dit zou winnen. Veel zwaarwegender was de zaak die curator Sweens had aangespannen tegen Groot. Die leek op dat moment veel bedreigender, doc. 3. geeft vooral de voorgeschiedenis en het handelen van curator Sweens weer. Op dat moment was het voor Groot nog niet duidelijk (onbekend) dat het proces verbaal van 14-05-2004  in feite een opzetje was geweest, van Sweens en Duijsens (advocaat van Bleeker) om Groot de das mee om te doen waar ze, ook in zijn geslaagd.

Document 4.  Dit was van korte tijd later, en bedoeld als ondersteunende verklaring van zaken en feiten, en ondertekend door twee betrokkenen, dhr. Buisman van accountants en advies bureau BDO. , mede namens R. Jong.  Dan door dhr. Siebelt van Hobaho. Die hebben beiden ook enkele afzonderlijke verklaringen ondertekend, zoals we navolgend gaan zien. Mr. van Meel wilde toen niet tekenen omdat hij rechter was, maar moest stoppen toen hij 70 werd, en is nu als advocaat actief voor Groot, en ondersteund dus sowieso die zaken. In deze documenten hebben we een overlap, maar dit kan ook helpen om alle zaken voldoende duidelijk te krijgen.   Alle documenten voornoemd zijn door Groot zelf opgesteld.

  1.   In bijlage doc. 4 op pag. 3 beschrijft Groot de personen die intensief bij de kredietopzegging en doorstart in 200/01 waren betrokken. Dit document is dus ook een z.g. officiële verklaring en eerder gemerkt als  B 1.
  2.   Dhr. Veldman bedrijfsadviseur, deze heeft een eigen verklaring gegeven omdat hij meer bij het voortraject bij ING was betrokken, en minder bij de latere doorstart. Groot heeft hem verzocht of hij een aanvullende verklaring wilde geven die Groot recent heeft ontvangen. Zie verklaringen Veldman.
  3.  N. Buisman/ accountant Lico in 1999/ 2000/2001.  R. Jong was de registeraccountant, beiden woonden alle vergaderingen m.b.t. een doorstart, R. Jong is na een burn out bij BDO gestopt, en heeft naar N. Buisman verwezen. Zie verklaringen Buisman.
  4.   Dhr. Siebelt van HOBAHO. Komt zeer regelmatig voor in de beschrijvingen. Zonder hulp van HOBAHO zou doorstart zijn mislukt.  zie verklaringen Siebelt.
  5.   Mr. van Meel, al benoemd, momenteel weer de advocaat van Groot.
  6.  Doc. 4 / verklaring gaat derhalve vooral over het z.g ernstige verwijt, en beschrijft dus ook waarom Groot het daar mordicus mee oneens is. Groot realiseert zich dat een aanzienlijk deel van de beschreven zaken nogal fantastisch en onrealistisch overkomt, en vragen oproept of dit nu feit of fictie is, maar bovengenoemde personen kunnen ieder woord bevestigen en alles is met (ordners vol) documenten te onderbouwen. In feite is doc. 4 al mede bedoeld als onderlegger voor een nadere beoordeling van zake op z.g. juridische gronden.
  7.   Zoals Groot zich het onderzoek voorstelt, bestaat dit uit, allereerst kennisnemen van de bijgevoegde beschrijvingen en verklaringen. Aanvullende stukken op verzoek beschikbaar, dan ook en vooral een gesprek met de betrokkenen voornoemd die hun verklaringen gestand zullen doen, en de door Groot gestelde zaken onderschrijven, en zaken mogelijk aanvullen met hun meningen en visies. Groot stelt dat sprake is van capabele en respectabele lieden, bepaald niet de eerste de besten en van onbesproken gedrag. Verder natuurlijk naar beste inzicht, en vrij om ook de z.g. tegenstanders te horen als dit nuttig en functioneel wordt geacht.
  8.   Groot herhaalt dan nog eens zeer nadrukkelijk, dat alleen een objectieve beoordeling wordt verzocht in het kader van crediteuren benadelen, c.q. paulianeus handelen, en of Groot terecht of onterecht Bleeker niet bij de z.g. doorstart heeft betrokken, het verwijt waarop Groot z.g. lek is gegaan en waardoor in feite zijn bestaan wordt verwoest. (dit is de huidige situatie).  Alle andere zaken dienen voor nader begrip van zaken en achtergronden, en wat dies meer zij, maar daar behoeft niets van te worden gevonden.
  9.  Zoals in bijgevoegde documenten dus uitvoerig beschreven, zal Groot, zoals al aangekondigd, die verkort gaan herhalen.  Groot had een lelie kwekerij en handel met teelt uitgevoerd door Lico Teelt BV. De teelt werd uitgevoerd door z.g. contracttelers die tegen een opbrengst vergoeding de teelt uitvoerden. In 1999 ging Groot een contract aan met een z.g. nieuwe relatie, die grote fouten maakte in de teelt wat  leidde tot een z.g. halve oogst en dus een grote strop. Derhalve weigerde Groot de volledige teelt vergoeding te betalen, Groot had 1/3 betaald, bood aan om nog 1/3 te betalen wat Kweker Bleeker, door ingrijpen van zijn advocaat weigerde. Daarbij speelden allerlei zaken op de achtergrond zoals ook bv. in document 2 beschreven. Bleeker nam de stelling in dat Groot ondeugdelijk plantgoed had geleverd waar gebreken in voorkwamen. Die stelling is nooit bewezen, Groot heeft afdoende bewijzen van het tegendeel.
  10.  Door de opgelopen strop in 1999, in combinatie met andere tegenslagen, kwam het bedrijf in zwaar weer, zonder de strop van Bleeker zou zijn overleefd, maar in het opvolgende jaar begon de Bankier problemen te maken, en kwam het bedrijf in zwaar weer, wat leidde tot een reeks vergaderingen, die eigenlijk van kwaad tot erger gingen, en leidden tot opzegging van kredieten. Achteraf kon vastgesteld worden dat dit onnodig was geweest, 2000  bracht een zodanig goed resultaat dat de strop van het vorige jaar goed zou zijn gemaakt. Ook zou een doorstart nooit zijn geslaagd bij een slecht jaar, maar er ontstonden veel extra kosten die weer erg nadelig werkten.
  11.  Met keihard onderhandelen, met ING Bank slaagde Groot er in om de activa vrijgekocht te krijgen, en met adviezen van voornoemde adviseurs en substantiële hulp van HOBAHO kwam een doorstart van de grond. Doordat ING Bank zich niet aan de afspraken hield kon geen nieuwe financier worden gevonden, crediteuren werkten wel allemaal mee aan maatwerk regelingen, ook GUO (als GAK) maar die nam later een ander standpunt in (door miscommunicatie) en drukte een faillissement verklaring door, beschreven in document  2.  Daarbij viel Groot in de handen van een kwaadwillende curator, die analyseerde dat de doorgestarte BV. kennelijk redelijk liep en chanteerde de doorgestarte BV. overigens onder goedkeuring van de rechter commissaris. Groot is heel summier, omdat in doc. 1 alle rechtszaken op rij staan, in doc. 2. de gehele gang van zaken met Bleeker is beschreven, in doc. 3  alle zaken m.b.t. curator Sweens, en zaken voor, tijdens, en na de faillissement verklaring van Lico Teelt BV. èn het handelen van Sweens. Ook vooral gericht op het handelen van Sweens en veel minder op Bleeker gericht, omdat Sweens op dat moment de grootste bedreiging was. Achteraf bleek de grootste dreiging die van Bleeker en beet Sweens in het stof.  In doc. 4 dus vooral de zaken waar het in dit onderzoek om gaat.
  12.   De door Groot d.d. 02-02-00 begonnen z.g. Bleeker zaak, (nadat een schikkingsvoorstel door advocaat Duijsens werd getorpedeerd), verviel aan de curator, de zaak was 3,5 jaar getraineerd, maar er was net een tussenvonnis in aug. 2003 dat er een bewijsopdracht zou volgen. Groot had de bewijzen paraat, maar had te veel andere zaken gaande, Groot zou nog aardig wat kosten moeten maken en verwachtte, na de zaak gewonnen te hebben een incassoprobleem. Ook Sweens stelde dat hij niet door wilde procederen. Daarmee zou de zaak als het ware doodbloeden, door geen actie meer zou die te eniger tijd van de rol verdwijnen.
  13.   Achter de rug om van Groot bleken Duijsens (advocaat van Bleeker) en de curator, buiten Groot om zaken te hebben geregeld in het belang van Bleeker. Er bleek een onjuist proces verbaal te zijn gemaakt van een verificatievergadering van d.d. 14-05-04, waaruit weggelaten was dat Groot die vordering bestreed. Achteraf bleek dit fataal voor Groot te zijn. Toen Groot document 3 opstelde was dat bij Groot nog onbekend, dit werd pas duidelijk d.d. 27-08-08, in een negatieve uitspraak voor Groot. Op basis van voornoemd proces verbaal werd een aanname gedaan dat Groot de vordering zou hebben erkend, wat volstrekt niet het geval was. Dan bleek er ook een officieel einde van de door Groot aangespannen rechtszaak te zijn geregeld. Dit kennelijk om te voorkomen dat Groot alsnog de curator zou verzoeken om die zaak van de curator over te kopen.
  14.   Bleeker stuurde Groot een dagvaarding d.d. 18-07-2006 waarin Groot in privé werd aangesproken.  Zaken bleken navolgend te zijn, door het gemanipuleerde proces verbaal, kwam Bleeker weg met zijn wanprestatie, nu beweerlijk Groot die vordering zou hebben erkent.  Dan was er een andere zaak die van belang was, er moest Groot een ernstig verwijt gemaakt kunnen worden inhoudende dat Groot crediteuren had benadeeld. In dit geval zou dit dan alleen Bleeker zijn geweest. Groot vindt dit te bizar voor woorden maar is daar wél voor veroordeeld. Zoals reeds gesteld is het datgene waar het hier en nu om gaat, een soort second opinion dus, of een deskundig jurist, van mening is dat het maken van een ernstig verwijt, redelijk en terecht is, waarbij Groot dit dus zeer onterecht acht..
  15.   De eerste die met de pauliana beschuldiging kwam was curator Sweens. Groot bestreed dit en de andere betrokkenen vonden dit ook een bizarre en ongegronde beschuldiging, maar Sweens stelde dat hij het doorgestarte bedrijf een proces aan zou gaan doen. Hij begreep dat dit bedrijf dit niet zou overleven omdat, zolang er betrokkenheid bij een faillissement was, er geen nieuwe kredieten mogelijkheden waren. Sprake was dus van pure chantage, Groot weigerde, maar is onder druk van zijn advocaat en HOBAHO toch uiteindelijk door de knieën gegaan, één van de zaken die hij zeer betreurt, vooral omdat de curator Groot simpelweg bedroog. Hoofdoorzaak van het bedrog was wel, dat Duijsens hem daartoe aanzette, getuige een bekende brief van 23-03-04 van Duijsens aan Sweens.
  16.   Alle verdere zaken zijn in de 4 documenten terug te vinden, dus worden als gelezen en bekend geacht. Groot meld hierbij dat de door de curator veronderstelde pauliana, daarna zeker een eigen leven is gaan leiden, doordat Duijsens dit oppakte met de bewering dat de curator pauliana had geconcludeerd. Dit is evenwel nooit in rechte of anderszins vastgesteld, dus onbewezen gebleven. Wat er in document 4 is vervat is datgene wat voor dit onderzoek in hoofdzaak van belang is. Groot stelt dat de wereld op zijn kop is gezet.
  17.   Groot stelt hierbij dat de z.g. Bleeker rechtszaken, die hierbij aan de orde zijn, zo ongeveer uitsluitend zijn gebaseerd op door Duijsens ingebrachte onwaarheden. Bij zijn beweringen werd nooit enig bewijs geleverd, Groot bestreed zaken en voegde bewijs bij, maar de beweringen van Duijsens zijn klakkeloos door rechters overgenomen. Dat Groot zich daar in hoge mate over heeft verwonderd, moge duidelijk zijn. Nu onwaarheden volgens regel 30 van het advocaten reglement, feitelijk niet mogen en kunnen, heeft Groot daar een klacht tegen ingediend, die is afgewezen.
  18.   D.d.  15 april 2004 krijgt Groot een brief van Duijsens, waarin hij Groot aansprakelijk stelt  omdat Groot (Lico Teelt B.V.) kort na het aangaan van de overeenkomst zou zijn geconfronteerd met een krediet opzegging van de huisbankier. Volgens Duijsens was het onrechtmatig om in zo een situatie niet de crediteuren te waarschuwen dat hun vorderingen gevaar liepen, enz.  Op zich een zeer bijzondere brief omdat er niets van waar was en ook niet begrijpelijk waar hij de onzin vandaan haalde. De hypothese is dat hij naar zaken zocht die  in dit geval bruikbaar waren, dus verzon hij een onwettig iets. Groot heeft in een omgaande reactie gesteld dat hij volledig fout zat etc.
  19.   In de dagvaarding d.d. 18-07-06  stelt hij dan exact het tegenovergestelde. Over het door Duijsens beweerde (en onjuiste) wordt in het geheel niet meer gesproken. Zaken komen er op neer dat Duijsens beweerd, ongeveer als navolgend:  Enerzijds heeft ING Bank wel het krediet opgezegd (dus nul krediet voor Groot) maar anderzijds beweert Duijsens dat Groot over grote kredieten kon beschikken. De doorstart zou dan alleen bedoeld zijn om Bleeker te vlug af te zijn doordat de oude / lege bv. geen verhaal meer bood. Ook dit was puur onjuist, en dus ook het tegengestelde van een vorige bewering. Dit is derhalve exemplarisch voor de wijze waarop Duijsens zijn zaken stelt, volledig op verzinsels gebaseerd.
  20.   Groot wil zich nu op de zaken concentreren die in 2000 en 2001 plaatsvonden om tot de bepaling te komen, of er sprake was van pauliana en benadeling van crediteuren, waarbij Groot toedracht en gang van zaken als bekend acht nu die in de documenten zijn beschreven. Groot heeft zich er uitermate over verwonderd hoe gemakkelijk en ongemotiveerd hij is veroordeeld, terwijl zaken slechts waren gebaseerd op niet onderbouwde en onbewezen zaken.   Voor de goede orde en om tot goede overwegingen te komen, zullen de beweringen van Duijsens in de diverse stukken op rij worden geplaatst, dus de zaken er uitgelicht die  de vermeende pauliana betreffen of, op welke gronden de veroordeling van Groot dan ook zijn gebaseerd. Groot zal er tegenoverstellen wat hij als verweer heeft ingebracht. Zaken hebben zich in verschillende instanties met regelmaat herhaald. Groot zal trachten niet te veel te doubleren.
  21.   Wat daarna van belang is voor Groot, is om inzicht te krijgen in de wettelijke kaders die aan zaken ten grondslag moeten liggen, die zijn Groot bij lange na niet duidelijk. Vooralsnog bestaat dienaangaande dat zaken weinig helder en concreet zijn, en dat jurisprudentie ook bepaald niet eenduidig is, en vaak als het ware onvergelijkbare zaken betreft. Dienaangaande zal Groot een aantal vragen gaan formuleren.    
  22.   De eerste beschuldiging aangaande paulianeus handelen kwam van curator Sweens. Groot heeft dit bestreden, ondersteund door adviseurs en ook HOBAHO, en BDO,  zie verklaringen.  Daarover is verder nooit een procedure geweest, dus in rechte is nooit iets vastgesteld.  De feiten waarop Sweens zijn beweringen baseerde zijn o.a. verwoord in een faillissement verslag opgesteld door Sweens (of assistent).  Op de bestrijding en daarvoor door Groot aangevoerde motivatie ging Sweens niet in. Hij vermeed / weigerde daarover in discussie te gaan, c.q. daar inhoudelijk op in te gaan. In feite worden daar dus de eerste set vragen over gesteld.    
  23.   Aangaande paulianeus handelen is antwoord van belang op een, in deze context geldende, belangrijke vraag.  Paulianeus handelen is kort gesteld, crediteuren benadelen. De stelling van Sweens was dat de overname prijs, volgens zijn bewering (iets) te laag was gesteld. Dit op basis van een taxatie, die nog was gedaan van de inventaris, voor ING bank.  Naar de mening van Groot was die “aan de hoge kant” er daarna 20 % afschrijving van af was gegaan, en ook ING meende dat de berekende prijs redelijk en reëel was. Op basis daarvan is die prijs in overleg met de adviseurs vastgesteld. In een brief van HOBAHO (bij verklaringen) wordt gesteld dat de transactie waarde zo moet worden gesteld, dat in geval van faillissement, wat in principe moest worden voorkomen, paulianeus handelen niet aan de orde kon worden gesteld.
  24.   De beweringen van Sweens  zijn vervat in een verslag van zijn hand. Bijlage  1.  Bedacht dient te worden, en als uitgangspunt genomen, dat de opzet van Sweens niet was gebaseerd op een neutrale en objectieve beoordeling, die bedoeling was om zaken zodanig in zijn belang voor te stellen, en dat zo zijn doel om Groot onder druk tot een schikking te dwingen, kon worden bereikt. Doel van dit onderzoek is derhalve of sprake was van enige rechtsgrond, voor een pauliana beschuldiging. Meende hij op terechte gronden dat er crediteuren waren benadeeld, en zo niet, wat waren dan de motieven van Sweens.
  25.  Sprake was van twee zaken, de inventaris, en de bloembollenkraam. Volgens Sweens zou de waarde van de inventaris pakwek 20 % hoger hebben behoren te zijn. Hij meende daarbij dat bij een doorstart, de overname prijs de vrije verkoopwaarde moest zijn, Groot meent dat dit executie waarde is of, iets tussen beide in.  In overleg met de adviseurs waren we het er over eens, dat er van een redelijk en verdedigbaar bedrag sprake moest zijn, maar dat de waarde niet overschat behoefde te worden. Daarbij was de waarde bij de schatting voor ING bedoeld om zaken positief voor te stellen, dus Groot maakte geen bezwaar tegen een te hoge taxatie, maar wist op basis van gebruik en staat van onderhoud, en ook economische en technische staat dat de inventaris, bij onderhandse en nog veel meer bij executoriale verkoop, met moeite het door Groot als waarde gestelde bedrag zou kunnen halen, en mogelijk flink minder. Die zaken heeft Groot toen ook tegen Sweens ingebracht, evenwel, op dat soort motiveringen gaf hij dus nooit antwoord. Daar was dus in hoofdzaak de bewering van pauliana op gebaseerd.  
  26.  Vaststaand en ook in een latere uitspraak vastgelegd was, dat op het moment van de doorstart, het doorgestarte bedrijf beneden de nullijn van start ging.  Met Hobaho was afgesproken dat zij pandrecht op de inventaris verkregen, als zekerheidsstelling voor de daar nog openstaande z.g. oude schuld. Dan was met ING eerst  kwijtschelding overeengekomen, een toezegging die ze later hadden ingetrokken, dus dat hing boven de markt. Groot hield ze aan de afspraken, ING stelde dat de rechter dat dan maar moest bepalen, geen van beide partijen begon en zaak, ING liet het verjaren, maar dit hinderde Groot zeer in het zoeken naar een nieuwe financier (die niet meer is gevonden).
  27.  Die zaken neemt Sweens in zijn overwegingen niet mee.  Dit waren dus zaken zoals ze waren in de eerste helft 2001, na de krediet opzegging en in voorbereiding tot de z.g. doorstart. De met ING Bank overeengekomen bedragen waren vanuit de verkoop van de bloembollen die vanaf 10 december 2000 plaats had gevonden, + ook de betalingen van alle z.g. nieuwe crediteuren, loon etc. maar zonder liquiditeit bij de doorstart, en een betaalafspraak voor de overname prijs in een later stadium zoals in het document van Sweens beschreven, binnen een jaar na dato. Volstrekt duidelijk dient te zijn dat er d.d. 01-07-2001 (officiële datum doorstart), geen enkele mogelijkheid was, om bedragen (voor welk doel dan ook) opzij te zetten en te reserveren, (ook geen mogelijkheid om betalingen te doen), overigens was dit al zo ruim een jaar voor de officiële doorstart. Groot benadrukt dit hier omdat dit nader aan de orde zal komen i.v.b. met de (valse) beweringen van Duijsens, in later stadia, en nog nader te bespreken.            
  28.   Het tweede deel van activa, was de bollenkraam, zoals in het Sweens verslag ook te lezen, probeerde hij zaken zo voor te stellen dat daar nog een flinke waarde aan toe zou zijn te berekenen. Ondersteund door o.a. de verklaring van H. Veldman, en D. Siebelt van HOBAHO, stelde Groot dat die per 01-07-01 geen waarde toegekend kon worden en waarom.  Enerzijds zocht Sweens argumenten om dit onderuit te trekken, maar vond die niet. Contractueel was vastgelegd dat de bollen eigendom van de contractteler waren totdat de teeltvergoeding zou zijn voldaan. Een klein deel plantgoedteelt gebeurde in eigen beheer.  Daar had Groot nog een waarde aan toegekend.
  29.  Wat we kunnen concluderen is, dat Sweens naar argumenten aangaande apulianeus handelen zocht maar die niet vond of hard kon maken. Dienaangaande is verder ook niets door hem aangetoond. Derhalve lijkt het Groot zo te zijn dat, als het tot en procedure was gekomen, dat Sweens (bij een objectieve beoordeling) daar ook niet in had kunnen slagen. Paulianeus handelen geld dan ook er doorgaans voor dat bv. een auto met 10.000 waarde voor 1000 wordt verkocht, dus zaken die duidelijk zijn, niet op basis van kleine verschillen en discussies dienaangaande.
  30.  Ook geld bij duidelijke zaken, dat dit dan doorgaans gedaan wordt, kort voordat iemand failliet gaat, en op een moment dat het duidelijk is dat dit kan gaan gebeuren. Daarbij blijkt een tijdslimiet van een jaar doorgaans het uitgangspunt te zijn. In dit geval vonden de faillissementen pas plaats, ca. 20 maanden nadat de doorstart was gerealiseerd, en was de volledige insteek geweest om zaken in goede orde te gaan regelen, en faillissement te voorkomen. Dat dit niet is geslaagd heeft van doen met één crediteur die om onduidelijke redenen alsnog zogezegd dwars ging liggen, en daarmee een schikkingsvoorstel van 90.000 euro volledig heeft verspeeld (met de wijsheid achteraf bezien), en een rechter die een dubieuze uitspraak deed nu er geen steunvordering was. Dit was niet voorzien, en daarmee was niet gerekend.
  31.  Groot geeft tussendoor alvast aan welke vragen hij beantwoordt wil gaan zien, maar zal die aan het eind gaan herhalen. Aangaande het voorgaand beschrevene, dus ondersteund door bijlage 1, zal Groot de vraag stellen;  Kan uit het voren beschrevene paulianeus handelen worden opgemaakt / gedestilleerd, alleen op basis van een mogelijk, relatief klein verschil in waardering van zaken.
  32.   Daarna komen dan de navolgende zaken;, ook leesbaar in het verslag. Hierbij stelt Groot dat hij dit relaas als leidraad hanteert omdat dit van de hand van Sweens zelf is dus door hem niet op juistheid kan worden bestreden, wat weer niet wegneemt, dat bepaalde zaken in werkelijkheid toch anders en genuanceerder zijn.  Tevens ligt nog steeds de vraag voor;  Heeft Groot daadwerkelijke acties uitgevoerd met de opzet om crediteuren te benadelen. Uit de stukken kan al opgemaakt zijn dat er op het moment van de overname voor niemand van de z.g. oude crediteuren, zijnde de crediteuren die er aanwezig waren op het moment dat de ING Bank alle betalingen stopte en het krediet opzegde, iemand nog (extra) benadeeld kon worden, als er geen geld is, is ook de mogelijkheid van benadelen gestopt.
  33.   Sweens worstelt daarmee omdat hij het moeilijk lijkt te hebben om zaken een negatieve draai te geven voor Groot. Sweens concludeert dat de afgesproken koopsom niet direct is voldaan. Die constatering is niet moeilijk, want al bij de overeenkomst vastgelegd. Groot was daar immers niet toe in staat, maar de wet biedt daarbij de mogelijkheid om zo een afgesproken bedrag in termijnen, of na een jaar te betalen. Betaald kan dus worden als er voldoende opbrengsten daartoe zijn, of als een financier weer bereid is om leningen te verstrekken.
  34.   Enkele zaken vallen daarbij op; , Sweens maakt er (impliciet) een negatieve voorstelling van zaken van, dat Groot z.g. oude crediteuren vanuit Lily Company BV. (het doorgestarte bedrijf) heeft betaald en de betaalde bedragen van de voorkoopprijs af heeft getrokken. Volgens hem had Groot het eerst op een rekening van de oude BV. over moeten hebben gemaakt, en vervolgens naar de z.g. oude crediteur. uiteraard heeft Groot gesteld dat de manier zoals door Groot gedaan, met de helft minder boekingen tot exact hetzelfde resultaat was gekomen. De vraag waarom dit op de wijze zoals Groot het had gedaan, volgens Sweens niet kon, is dan weer zo een veelvuldig gestelde vraag die nooit werd beantwoord. Vraag; , Was Groot er vrij in op die manier te betalen, dus het rechtstreeks vanuit de doorgestarte B.V. naar (oude) crediteuren van de z.g. oude B.V.s overmaken van bedragen?. Is daar een beletsel op basis van wettelijke regels?, Of is het zo dat het wel kan en mag maar niet aangeraden?, of dat er geen wettelijke regel of beperking is want immers ook geen verschil in het resultaat?, en dat Sweens daar dan dus (ook) ten onrechte een punt van maakte?.
  35.   Een ander punt wat Sweens al onjuist en laakbaar voorstelde, en wat later bij de Bleeker zaak (waar we na Sweens aan toe komen) was dat door Groot “selectief” crediteuren waren voldaan. Groot stelt dat daar enige waarheid in schuilt, veroorzaakt door de situatie zoals hij was, wat Groot nog nader uit zal leggen (en nuanceren), maar het punt (en daaropvolgend de vraag), is of er enige juridische beletsels waren dienaangaande, immers, als er geen juridische beperking of richtlijn voor bestaat, dan beantwoord dat al de vraag of Sweens Groot daarom kon en mocht kapittelen.  
  36.  Duidelijk moge zijn dat Groot toen dacht, en nog steeds denkt, dat allereerst een boekhoudkundige verrekening, die in andere omstandigheden boekhoudkundig nooit een probleem is en veelvuldig wordt gedaan, een normale zaak is, die de boekhouder op normale wijze boekhoudkundig verwerkt, en daar nooit een opmerking bij heeft gemaakt,  dan zou het toch vreemd zijn dat dit ineens niet meer zou kunnen en mogen. Als er inderdaad geen enkele probleem daarmee is, dan komt de volgende vraag; ,wat is de motivatie van Sweens om Groot oneigenlijk dubieus voor te stellen?. Dezelfde vragen dienaangaande gelden dan ook aangaande de z.g. selectieve betaling, waar geen sprake is van een faillissement. Gelden er regels voor verdeling, maar als een bedrijf in faillissement doordraait is er ook al ongelijke verdeling, immers energie, en lonen krijgen b.v. voorrang?.
  37.  Bij een doorgestart bedrijf evenwel, ongeacht of dit in onderling overleg gaat, of vanuit een faillissement, meent Groot dat de wettelijke regel is dat crediteuren betaald behoren te worden, maar Groot meent dat er geen sanctie of boete op bestaat wanneer niet in exacte volgorde van binnenkomst wordt betaald. Ook daar geld dat, als de liquiditeiten op enig moment ontoereikend zijn dat door ieder bedrijf die daar mee van doen heeft geselecteerd wordt bv. dat netto loon voorrang krijgt, ook bv. elektra, en er sprake is van het recht van de sterkste. Dat er dus (algemeen) selectief betaald wordt (overal) wordt niet ontkend of door Groot bestreden, De vraag is, is dit tegen wettelijke regels?, en in dit geval ook daarbij, maakt het verschil of iemand een regulier bedrijf heeft, of  een bedrijf wat wel regulier is maar net door is gestart?.
  38.  Waar het ongeveer op neer komt is dat Sweens Groot op negatieve wijze plaatst, nu de beschuldiging is dat Groot de één voortrekt boven de ander. Al gesteld is de vraag of Sweens het recht heeft om dit zo aan te kaarten, en Groot er mee in een negatief daglicht plaatst, als dit handelen volkomen legitiem is.  We zijn dan nog steeds bezig met de vraag of Groot paulianeus heeft gehandeld, of dat dit juist een ongefundeerde beschuldiging is, op basis van foute bedoelingen.
  39.  Het belangrijkste bewaren we namelijk voor het laatst. Groot die alles heeft geregeld en meegemaakt meent namelijk dat dit een zeer, zeer, zeer, onjuiste en ook zeer oneerlijke beschuldiging is, omdat Groot de stellige overtuiging heeft (en met hem zijn adviseurs) dat exact het omgekeerde het geval is. Groot wil aantonen dat hij juist degene was die zich om de crediteuren bekommerde, en dat Sweens, en dit zeer willens en wetens, en in vele documenten etc. daar ook nadrukkelijk op is gewezen, dat hij (dus Sweens) degene is geweest die de crediteuren benadeeld heeft.
  40.   Groot wil nog iets nader in gaan op het selectieve betalen van crediteuren. In het verslag, eerste zin op pag. 18 lezen we; “afgaand op het overzicht heeft Lily Company BV. voornamelijk handelscrediteuren voldaan die voor de directe gang van zaken van belang zijn”.  Op zich is dit een opmerking die van geen belang is, als Groot bevoegd is die eigen keuzes te maken, en er geen juridisch beletsel is, maar die vraag ligt voor. Toch meent Groot dat die zin moet dienen om Groot als onbehoorlijk neer te zetten.
  41.  Groot zegt daar het navolgende op;  allereerst bestonden de crediteuren nu eenmaal in hoofdzaak uit handelscrediteuren, dan lag het voor de hand dat er van belang was of Groot van een crediteur afhankelijk was, maar Sweens was er niet mee bekend in welke rangorde ze van belang waren, dus kon dit niet juist beoordelen. Groot stelt hierbij dat hij ongeveer in gelijke mate ook oude zaken regelde, van crediteuren waar hij niet afhankelijk van was (bv. doordat een ander dit ook kon leveren) dus dat Sweens er gewoon naast zat, en dit ook niet kan hebben onderzocht (anders had hij hetzelfde geconcludeerd) ofwel dit is simpelweg een valse beschuldiging (punt).  De vraag hierbij is vergelijkbaar als in alinea 42 gesteld, zijn er wettelijke regels die verbieden om eigen keuzes te maken aangaande voorrang en achterstelling van betalingen?.
  42.   Nog steeds ligt de vraag voor of Groot (kennelijk volgens de curator voorbedacht en opzettelijk) crediteuren heeft benadeeld. Groot verwijst nu naar pagina 17, de voorlaatste alinea. Daar lezen we dat Groot fl. 633.010  volgens overeenkomst had moeten betalen, maar dat hij (was saldo 1 juli 2003 abusievelijk staat er 2001)  fl  1.723.102  dus ca. fl. 1,1 miljoen = ca. 500.000 Euro meer aan crediteuren heeft betaald. De cijfers ondersteunen dus datgene wat Groot ook tegen Sweens had gesteld, dat het tegenovergestelde van crediteuren benadelen het geval was, hij had ze juist in ruime mate bevoordeeld. Groot pleegde daar grote inspanning toe, en dat om de simpele reden dat Groot iedere (erkende) crediteur, die op goede wijze goederen en diensten had geleverd, niet wilde laten zitten. Groot vindt dit overigens ook een normale zaak.
  43.  We zien dus dat Sweens daar ten volle mee bekend was. Groot stelde daarbij dat Groot met hetzelfde gemak op voorhand de verkoopprijs van activa dubbel zo hoog had kunnen stellen.  Het extra betaalde geld is in feite dus ook toe te rekenen aan de overgenomen activa. Men zou kunnen stellen dat Groot bij nader inzien de prijs zoals in de overeenkomst gesteld ruim hebben kunnen verdubbelen. In dat geval zou de gehele discussie over het gegeven of er nu wel voldoende voor was gerekend, zonder enige grondslag zijn geweest, zonder dat er in actuele boekhoudkundige zin enig verschil was geweest. Nadrukkelijk is Sweens er, en dit ook vele malen, op gewezen, dat hij dit praktisch en realistisch (en positief) diende te bezien. Duidelijk kan worden gelezen dat Sweens het wel beschrijft en benoemd, maar ook dat hij er volstrekt niets mee doet. In een ander geschrift stelt  Sweens overigens zelfs dat Groot niets had betaald, omdat het niet eerst op een aparte rekening was betaald en daarna aan dezelfde crediteuren was doorbetaald. Die crediteuren hadden evenwel zelf in de boekhouding staan dat de vordering (wél) was betaald.
  44.   Dat Sweens daar niets mee doet vindt Groot onjuist en onbehoorlijk. Groot was er dus actief mee bezig om met alle crediteuren tot een vergelijk te komen. Daarbij was in meerdere gevallen ook sprake van maatwerk bij, bv. een inventaris stuk ruilen of een deel betalen met lelieplantgoed, of i.d. Op het moment dat de faillissementen werden doorgedrukt was er dus al voor een groot bedrag aan oude crediteuren al weggewerkt, maar de schuld bij Hobaho was opgelopen, (maar die had zekerheden als onderpand) maar verder zijn zaken simpel. Groot had afspraken over het resterende deel met alle crediteuren, om in delen te betalen enz. daar ging iedereen in mee. Ook eerst het GUO, maar tegen afspraken in was de vordering bij een incassobureau gedeponeerde, en volgde miscommunicatie op miscommunicatie. Dit incasso bureau drukte een faillissement door, waarna dus de voorgestelde schikking van 90.000  definitief werd verspeeld, door GUO.
  45.   Dit faillissement was voor Groot rampzalig. Al snel was Groot ca. 100.000 euro kwijt aan kosten en schikking, en de nieuwe financiering bij Rabo bank, die in de steigers stond kwam niet meer rond, en Groot verloor daarbij veel tijd en energie die de bedrijfsvoering negatief beïnvloedde. Het faillissement had veel minder schadelijk kunnen zijn als Sweens, nu de BV s leeg waren, en alles al netjes geregeld, niet op de diefstal en chantage tour was gegaan, maar de faillissementen snel had beëindigd. Groot zou in één jaar alle oude zaken afgewerkt kunnen hebben, en daarna in een paar jaar HOBAHO, maar dankzij Sweens, die op moet komen voor de crediteuren, hebben de crediteuren niets meer ontvangen.

Naast de gestelde deelvragen, is derhalve de algemene vraag;  Heeft Groot op enigerlei wijze (en verwijtbaar) zijn crediteuren benadeeld, of geven de feiten aan dat hij daartoe de intentie had?

Groot zelf is van mening dat die conclusie onmogelijk zal zijn te maken, maar hecht er aan dat dit duidelijk wordt gesteld.

De opvolgende vraag is;  Wijst alles er op dat Groot juist vanuit de doorgestarte situatie, zich er toe had gezet om naar behoren alle z.g. oude crediteuren, dus de crediteuren die onbetaald waren op het moment dat de ING Bank geen betalingen meer wilde verrichten, en het krediet opzegde, zonder daar wettelijk toe verplicht zijnde, naar vermogen alsnog betaalde en afhandelde.?

Is het duidelijk, althans aannemelijk, dat Groot zelf alle zaken zou hebben afgehandeld in z.g. maatwerk regelingen, als er geen faillissementen van de (al bijna twee jaar lege) BV’s zouden zijn geweest, maar dat dit door curator Sweens onmogelijk is gemaakt?.

Gesteld is (pag. 17) dat volgens de door Groot, in overleg met adviseurs gemaakte overeenkomst er 685.000  zou moeten worden betaald aan de BV’s die dus ten behoeve van de z.g. achtergebleven crediteuren zou moeten gaan komen, de stelling van Sweens, is dat dit maximaal  810.000  had behoren te zijn, waar Groot dus flink op heeft afgedongen, maar Sweens stelt dat Groot daadwerkelijk(volgens dit verslag)  totaal 1.723.102 heeft betaald. Acht u het bedrag van de overeenkomst van belang, of het daadwerkelijk betaalde?.  Indien u het daadwerkelijk ten behoeve van de crediteuren van belang acht, kunnen we de gehele verwikkeling over wat het in de overeenkomst gestelde bedrag was, en mogelijkerwijs had behoren te zijn, als nutteloos wapengekletter beschouwen?.

Indien het daadwerkelijk betaalde bedrag geldend en leiden wordt geacht. Wat kan dan de reden zijn dat dit door curator Sweens wordt genegeerd, en hij een (onbesliste) discussie over de hoogte aangaat?

Op pagina  19 bijlage 1, lezen we;  “Conclusie; De curator komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de transactie kan worden aangemerkt als paulianeus handelen en om die reden kan worden vernietigd.” Deelt u de mening dat Sweens dit op basis van wat hij zelf in pagina 14 t/m 18 op schrift had gesteld tot die conclusie kon komen.?

Door curator Sweens zijn alle ontvangen bedragen naar zichzelf toe weggedeclareerd. Vast staat  dat hij snelle afhandeling had toegezegd wat op bijna tien jaar uit is gekomen, en crediteuren hebben niets ontvangen.  Wordt dit door u als een correcte standaardafhandeling gezien, en hoe wordt dit verder beoordeeld?.

Hoofdvraag;   Kon curator Sweens uit enigerlei zaak opmaken, en zoals hij hier dus doet, concluderen, dat Groot  paulianeus heeft gehandeld en hij om die reden (gesteund door het recht), de bevoegdheid had de transactie te vernietigen?.  

Zo niet, wat was dan de mogelijke motivatie van deze curator?.

  1.  Hiermee hebben we de zaken aangaande de curator besproken, en de vragen geformuleerd die we aan het einde gaan herhalen, zonder de reeds gegeven motivaties en onderbouwingen. Duidelijk dient te zijn dat het handelen van de curator voor Groot zeer negatieve gevolgen heeft gehad, het verdere handelen enz. wordt beschreven in document 3. Een aantal zaken dienen daarbij duidelijk te zijn, op deze zaken zou niet meer terug zijn gekomen, en aan de orde gekomen, als Sweens had gedaan wat was afgesproken en overeengekomen, namelijk in ruil voor het bedrag ad. 50.000  (wat Groot benoemd als chantage geld) zaken snel afwikkelen en afhandelen.
  2.  In dat geval zouden zaken ruim elf jaar geleden aan een einde zijn gekomen, en had Groot zijn aandacht weer aan zijn bedrijf kunnen geven wat zoals ook wel verder aangetoond, een gezonde basis had, maar dit heeft niet zo mogen zijn. Groot heeft in de alinea’s 15-21 aandacht gegeven aan de z.g. Bleeker zaak. In deze zaak is Groot in het ongelijk gesteld, in zijn eigen beleven geheel ten onrechte en alleen omdat Bleeker allerlei ongefundeerde en verzonnen beweringen deed, die Groot weersprak, maar die onbegrijpelijkerwijs, door alle betrokken rechters klakkeloos zijn overgenomen, zonder dat Bleeker zijn zaken met enig bewijs behoefde te onderbouwen.
  3.  Die uitspraken kan Groot hiermee niet ongedaan maken, maar Groot wil allereerst vastgesteld hebben wat de werkelijke feiten zijn. Als wordt vastgesteld dat er voor een z.g. ernstig verwijt geen grondslag is, dus niet was geweest, dan kunnen de uitspraken benoemd worden als gerechtelijke dwalingen. Of Groot daar dan verder nog iets mee kan, en op welke wijze is dan verder de zaak van Groot zelf.
  4.  In ieder geval zal het in het hoger beroep van de z.g. schadestaatprocedure worden ingebracht. Groot acht dit van belang omdat in eerste aanleg de rechter zonder enig voorbehoud stelt dat Groot paulianeus heeft gehandeld, en zijn verdere uitspraak geeft aan dat hij als het ware Groot als de pauliana pleger daar (extra) voor wil straffen. Dit is uitzonderlijk omdat in andere instanties werd gesteld dat de curator meende dat paulianeus was gehandeld, maar ook dat dit niet in rechte was vastgesteld.   Het klakkeloos stellen dat Groot paulianeus, dus onrechtmatig, dus crediteuren benadelend had gehandeld, wil Groot in ieder geval met dit rapport hebben rechtgezet.
  5.  Het is dus Bleeker die aanhoudend heeft gesteld dat de curator Pauliana had vastgesteld, maar  komt dan met een reeks eigen beschuldigingen die we één voor één onder de loupe zullen gaan nemen en daar de relevante vragen aan verbinden. Van belang is de vraag of  Sweens voldoende grondslag had voor zijn beschuldigingen en de deelvragen daaraan verbonden. Het antwoord daarop, met enige motivering is van belang, maar de (juridische) grondslag van de beweringen door Bleeker / Duijsens gebezigd, zijn van groter belang.
  6.  Allereerst geld de vraag die zowel bij de zaken aangaande Sweens, als bij Duijsens speelt. Als eerste wil Groot de vraag stellen of sprake was van een doorstart, of van een sterfhuisconstructie?.  Die vraag is van belang omdat Groot meent dat sprake was van een doorstart, dit ook door Sweens gebezigd, maar door Duijsens wordt consequent over een sterfhuisconstructie gesproken wat een veel negatiever klank heeft, en uiteindelijk stelde Duijsens ook dat Groot middels een sterfhuisconstructie het bedrijf, ten eigen voordele had leeggeroofd.
  7.  Groot heeft het gehele bedrijf met alle personeel etc. in de nieuwe B,V, gebracht, volgens de gegevens, o.a. ook vindbaar op internet, is dan sprake van een doorstart. een sterfhuisconstructie is volgens de gevonden definities dat een bedrijf wordt beëindigd, waarbij de onrendabele delen worden afgestoten (laat men sterven) terwijl men doorgaat met de gezonde delen of die als activa doorverkoopt.  Groot zal daar vragen over gaan formuleren.
  8.  Dan stelt Groot dat algemeen en maatschappelijk, men zogezegd positief staat ten opzichte van een doorstart. In de meest voorkomende gevallen is er eerst sprake van een faillissement, maar dit is niet nodig en niet noodzakelijk. Het is immers goed voor iedereen, en kosten besparend, als men een faillissement juist weet te voorkomen. Dit is weer mogelijk als men met crediteuren tot afspraken  en een vergelijk weet te komen. Realistische crediteuren weten dat ze in zo een geval, vaak een betere kans hebben op een groter deel van hun onbetaalde vordering. Ook in het geval van Groot was alles er op gericht om het maximale voor de crediteuren te bewerkstelligen, zoals al bekend is.
  9.   Een belangrijke vraag hierbij is of er dienaangaande zaken wettelijk zijn geregeld, en wat dat dan mag zijn. Is er zoiets als een wet op het doorstarten van bedrijven of zijn er richtlijnen of richting bepalende jurisprudentie. In het geval van Bleeker zijn er allerlei (overigens onjuiste) beweringen gedaan, die ook in rechte zijn gehonoreerd terwijl onduidelijk was, en ook is gebleven, wat op wetmatige en juridisch vastgestelde zaken was gebaseerd.
  10.   Groot herinnert er aan en refereert er naar, dat er bijna dagelijks faillissementen gaande zijn, die de krant halen, waarbij dan staat vermeld dat de curator probeert om een doorstart geregeld te krijgen. In die context is het ook zo bevreemdend dat curator Sweens zich zo vijandig opstelde tegen Groot die zaken op zich beschouwd, in de stellige overtuiging van Groot, zo netjes als mogelijk was, had geregeld. Achteraf bezien had Groot rekening moeten houden met kwaadwillende curatoren, en het overname bedrag veel hoger moeten stellen, omdat er op het moment dat Sweens in beeld kwam, al veel meer daadwerkelijk was betaald, om die feitelijk nogal vreemde, en oneigenlijke discussie te voorkomen, maar bij Groot is bekend dat doorstarten, door curatoren bewerkstelligd, veelal en zelfs zo ongeveer als regel, vaak ver beneden een taxatie prijs geschieden.
  11.   Vooral vakbonden dringen aan op een doorstart, ten behoeve van het betrokken personeel, maar ook van overheidswege, wordt het een goede zaak gevonden, dat  economische bedrijvigheid zo veel mogelijk blijft bestaan, en zo weinig mogelijk verloren gaat, nu economie een belangrijk iets is. Daarbij hoort men er nooit van dat bv. de directeur van DAF of Fokker, in privé werden belaagd of uitgekleed, wat de vraag opwerpt waarom Sweens dit dan bij Groot wel deed, en  Groot er van uit gaat dat dit nu ook weer niet op zichzelf zal staan.

Een aantal vragen worden hierbij derhalve door Groot al benoemd;   

vraag.  Groot stelt dat sprake was van een doorstart.  Duijsens heeft het consequent over een sterfhuisconstructie. Onder welke noemer viel  de door Groot geëntameerde actie ?

Zijn er zaken die aangeven en / of aantonen dat Groot de oude bv s   heeft “leeggeroofd”, en ten behoeve van wie?

Zijn er juridische regels waarin een doorstart wordt geregeld?

  1.  Vervolgens zal Groot dan aangeven wat de beschuldigingen van Duijsens waren, wat Groot daartegen inbrengt, en hoe de rechtbank(en) daarop beslisten.  De eerste beschuldiging was overigen een andere dan de latere. Voor het juiste beeld zal Groot die ook weergeven.  d.d. 15-04-2004 ontvangt Groot een brief van Duijsens die geld als een aansprakelijkheidsstelling van Groot in privé, voor door Bleeker in de rechtszaak die Groot was begonnen gestelde tegenvordering. Wat Duijsens in die brief stelde was een onjuiste bewering, die overigens dan weer geheel haaks stond op de (overigens ook onjuiste) bewering  die in de Dagvaarding werd gedaan. Groot brengt deze brief in als bijlage twee, en zijn omgaande antwoord als bijlage 3.  
  2.  Duijsens stelt in die brief als navolgend; “Inmiddels zijn de jaarrekeningen aan cliënten bekend geworden en zij heeft daaruit moeten constateren dat u kort na het aangaan van de overeenkomst geconfronteerd bent geweest met een kredietopzegging van uw huisbankier en ten tijde van het uitleveren van de goederen direct te maken had met die kredietopzegging. Het is onrechtmatig om in zodanige situatie niet de crediteuren te waarschuwen dat hun vordering gevaar lopen. Evenzeer is het onrechtmatig om op krediet bij cliënte werk te laten verrichten-contractteelt voor u-in de wetenschap dat Lico Teelt BV niet zou kunnen betalen en geen verhaal zou bieden voor de schade voortvloeiende uit die betaling”.  Deze beweringen waren dan dus volledig uit de lucht gegrepen, zoals Groot ook in zijn brief verwoord.
  3.   Verder is dit inhoudelijk niet zo van belang, immers verzonnen, maar we zullen vernemen dat Duijsens ruim twee jaar later in de dagvaarding, volstrekt tegengestelde beweringen doet, dus of het één is waar en het andere niet of omgekeerd (of beide zijn onwaar zoals in dit geval) maar Groot geeft dit vooral aan omdat dit zogezegd exemplarisch is voor Duijsens die letterlijk alles op onjuiste beweringen baseert. Groot wil dat dit duidelijk is gemaakt. Voor alle duidelijkheid, de vermeende kredietopzegging zou dan  ca. april/mei 1999 plaatsgevonden moeten hebben.
  4.  Als bijlage 4 volgt de dagvaarding van Bleeker. Groot verwijst daarnaar en zal alleen de relevante zaken benoemen. Duijsens stelt nu dat er een kredietopzegging plaats heeft gevonden  in december 2000  wat juist is, maar dus bijna twee jaar later dan zijn eerste bewering, en met de hoofdoorzaak de door Groot geleden strop bij Bleeker. Het kenmerk van een kredietopzegging is dat er dan geen crediteur meer betaald kan worden, iets wat doorgaans al langer gaande is, zaken die al zijn omschreven. Dan stelt Bleeker in alinea 19;  “Op grond van de overeenkomst met die bank was er een omvangrijk krediet van ING aan onder andere Lico Teelt BV.”  Het is kennelijk vooral steeds die ongefundeerde bewering die de rechtbank klakkeloos overnam.
  5.  Dit is dan wel zeer bevreemdend, want er mag toch aangenomen worden dat rechters allereerst niet volledig wereldvreemd zijn, en er ook altijd beducht voor moeten zijn dat ze zich wél baseren op juiste feiten, dus de waarheidsvinding, en het verkrijgen van bewijs dient doorslaggevend te zijn, zo niet in deze zaak, wat Groot volstrekt onbegrijpelijk acht en wat door hem onmogelijk begrijpbaar is, zodat Groot ook gezocht heeft en gedacht heeft aan andere oorzaken zoals partijdigheid enz. maar laat het nu maar even bij het onbegrijpelijk zijn, nu het daar niet om gaat,  maar om een objectieve beoordeling van feiten, handelingen en beslissingen.
  6.  We hebben het hierbij over een situatie die gemakkelijk beweerd / geroepen / verzonnen kan worden, maar die in praktische zin nooit voorkomt. Natuurlijk kan iemand die er geen benul van heeft wat er in het dagelijkse leven gebeurt en gebruikelijk is (dat kan ook een rechter zijn) zo een bewering klakkeloos geloven, maar wie maar een tikkeltje bekender is met de dagelijkse praktijk, die weet dat Banken , tenzij de positie van een bedrijf zeer rooskleurig is, maar in normale, pakweg 90 % van de gevallen, gewoon standaard de vinger aan de pols houdt. Standaard is dat een begroting wordt ingeleverd die de normale kredietbehoefte behelst (dus altijd gelimiteerd en naar behoefte), maar de ruimte wordt direct ingeperkt als het met het bedrijf niet of minder goed gaat.
  7.  Wat Duijsens beweert is dat er gelijktijdig met een kredietopzegging, Groot de beschikking had over omvangrijke kredieten. Dit dan ook zonder enig bewijs daarvan bij te voegen. Zelfs de meest wereldvreemde rechter zou toch direct begrijpen dat dit volstrekt in contradictie met elkaar staat. Groot verwijst hierbij allereerst naar de verklaringen van dhr. Veldman die het nauwste bij de financiële zaken was betrokken. Wat Groot heeft onderschat is dat hij het onmogelijk achtte dat het slaken van volstrekt onrealistische en puur onjuiste verzinsels, zonder steun van enig bewijs, toch klakkeloos overgenomen kon worden. Groot begreep niet waarom Duijsens zaken ondernam die in een normale rechtsorde nooit zouden kunnen slagen, en ergerde zich, en haatte de kosten en extra tijd die het nam, maar maakte zich dus geen grote zorgen over de z.g. einduitkomst.
  8.   In de alinea’s 20 en 21 wordt de overname benoemd, en in 21 wordt een deel uit het verslag benoemd, zoals al besproken, waar o.a. in staat dat Lily Company bv. een veel groter bedrag als de overeenkomst aangaf heeft betaald. Hier blijkt evenzogoed hoe schadelijk de beweringen van Sweens zijn geweest. Groot verwijst naar de vorengestelde vragen die hij navolgend zelf enigermate beantwoord. De bewering dat Groot met de gedane betalingen voornamelijk handelscrediteuren had voldaan die van belang waren voor de dagelijkse gang van zaken, zoals door Duijsens van Sweens overgenomen was zoals eerder al gesteld, onjuist, Groot meent ook daar vrij in te zijn geweest om dit zelf te bepalen, maar het wordt steeds voorgesteld dat dit per doorstartdatum 01-07-2001 was gerealiseerd, terwijl er toen niemand is betaald, niemand betaald kon worden, en het overzicht van Sweens en die bedragen pas van ca. twee jaar later waren.
  9.    In deze context kan dan ook nog de zeer bevreemdende zaak worden genoemd, dat ook Sweens Groot in aug. 2006 had gedagvaard om bestuurdersaansprakelijkheid ingesteld te krijgen, maar dat in het vonnis was gesteld dat Sweens zelf had aangegeven dat er d.d. 01-07-2001, dus op het moment van de doorstart, er een feitelijke faillissementssituatie was, en er dus vaststaand was dat er geen enkele crediteur kon worden betaald. Dit vonnis is als bijlage in hoger beroep in de Bleekerzaak bijgevoegd. Dit was dus een gemotiveerde beslissing van een rechter terwijl men in Hoger Beroep bij Bleeker tot een ander oordeel kwam, maar dit in hun vonnis doodzweeg, dus geen argumenten waarom zij tot een exact tegengesteld oordeel kwamen.
  10.  In alinea 23 stelt Duijsens dat de curator actio Pauliana had ingeroepen, en doet het voorkomen dat dit terecht was, wat het volgens Groot pas is als dit in rechte is vastgesteld. Zoals standaard bij Duijsens wordt dit aangedikt, en in het negatieve verdraaid. Toch hebben we daar weer de voornoemde contradictie. het bedrijf zou zodanig zwak zijn dat de curator met een beperkte schikking genoegen nam, maar voordien hebben we gelezen dat Groot (in de dromen van Duijsens) over omvangrijke kredieten zou beschikken.
  11.  In alinea 24  stelt Duijsens de z.g. “Juridische grondslag van de vordering”  waarin hij nogmaals stelt (maar niet bewijst) dat vast staat dat Lico Teelt BV in 1999 en 2000 een omvangrijk krediet tot zijn beschikking had. Inderdaad had Groot een groot krediet, maar om alle crediteuren te kunnen voldoen had het nog groter, dus nog veel omvangrijker moeten zijn, maar daar is genoeg van gezegd. Wat men uit zaken op kan maken, is dat er maar van alles door elkaar wordt geroepen wat in hoofdzaak onjuist is of onduidelijk, of onvolledig, zodat er voor een relatieve leek, zonder verduidelijking en aanvulling, geen touw aan vast te knopen moet zijn.
  12.  In 24 / 2  stelt  Duijsens dan als navolgend: “De opbrengst van die transactie werd selectief gebruikt om enkele crediteuren te voldoen tot een bedrag van meer dan fl. 1.000.000. De crediteuren uit juni 2001 hebben ongeveer zijn in omvang met 2/3 teruggelopen (van 1.700.000,- naar 633.000) volgens de mededeling van Groot aan de curator (stelt de curator in zijn verslag)echter niets is betaald aan Bleeker Smit. Het is onrechtmatig van Groot om een “sterfhuisconstructie” te verrichten jegens benadeelde crediteuren tenzij met toestemming van die crediteuren”.  (p.s. kromme zinnen, taal en stijlfouten zijn letterlijk overgenomen)
  13.   Ter voorkoming van (nog meer) verwarring eerst enige zaken rechtzetten. In het verslag van Sweens staat de datum 1 juli 2001.  Duijsens heeft het over juni 2001, maar Sweens heeft daar duidelijk een fout gemaakt. Die datum was de z.g. doorstart datum, het moment dat voor een langere tijd, er geen enkele (oude) crediteur betaald kon worden. De bedoelde datum moet zijn 1 juli 2003, dus zoals Sweens zaken twee jaar later aantrof en zoals door Groot doorgegeven. Een vergissinkje of verschrijving die Duijsens op had behoren te merken. Tevens geeft hij dan zaken onjuist weer, vergelijk verslag Sweens pag. 17. en alinea 24.  Tevens is Duijsens dan de eerste en enige die hier over de z.g. “sterfhuisconstructie” begint, waar Groot meent dat sprake is van een doorstart.
  14.   Vervolgens komt Duijsens met jurisprudentie van, in de ogen van Groot, onvergelijkbare zaken, afgezien van alle onjuiste beweringen van Duijsens waar de beschreven zaken naar aanname op juistheid zijn gebaseerd, en komt hij in alinea 26 met artikelen waar hij de aansprakelijkheid van Groot op baseert. Groot heeft die zaken opgezocht en nader bezien, maar kan er zelf geen soep van koken, maar zal daar een aantal vragen op gaan baseren.
  15.  Dan doet Duijsens het voorkomen dat de vordering van Bleeker een vordering is zoals alle andere vorderingen. Dit is uiteraard een volslagen onjuiste voorstelling van zaken. Juist door Groot was in rechte een (grotere) vordering tegen Bleeker ingesteld, een procedure die dus op het moment van de doorstart ca. 1,5 jaar gaande was. Sprake was dus van vorderingen over en weer. Tot alinea 15 stelt Duijsens dat Bleeker aangaande de contractteelt alles goed had gedaan en Groot alles fout, maar de bewijzen komen tot het tegendeel. Dan stelt Duijsens in alinea 16, dat de rechtbank de eerste stelling van Lico Teelt heeft afgewezen, maar vergeet er bij te vermelden dat Groot een bewijsopdracht zal verkrijgen, ofwel, de stelling van Groot  dat juist Bleeker verwijtbaar te kort is geschoten, wordt serieus genomen, als Groot dit bewijs kan leveren dan zal de vordering van Groot / Lico Teelt bv, worden toegewezen. Dit is derhalve een totaal andere situatie dan Duijsens voor doet komen.  
  16.  Dat Sweens, op verzoek van Duijsens, de vordering had erkent doet daar niet aan toe of af. Daar zijn totaal andere zaken gaande die niet ter beoordeling worden voorgelegd, zijnde als navolgend. Kennelijk is er met Duijsens en Sweens een complot gesmeed voor een opzetje tegen Groot, waarbij de R.C. behulpzaam moest zijn door een proces verbaal te vervalsen wat hij ook daadwerkelijk heeft gedaan. Dit zou Duijsens een directe titel verschaffen, zodat hij zijn (onjuiste) beweringen niet eerst aan hoefde te tonen. Vervolgens heeft men (Sweens en Duijsens) een officiële beëindiging van de door Groot aangespannen zaak, die in het faillissement was vervallen, middels z.g. “Ontslag van Instantie” bewerkstelligd om te voorkomen dat Groot alsnog zou verzoeken de zaak z.g. over te kopen uit het faillissement, en pas daarna is Duijsens los gegaan.  Dit dus slechts  ter informatie.
  17.  Groot meent dat het van belang is om dit in de juiste context te plaatsen omdat daar een aantal vragen aan vast zullen worden geknoopt, die van Groot belang zijn.

Allereerst de vraag of de deskundigen menen dat er naar vergelijkbare en relevante jurisprudentie wordt verwezen, op pagina 9 (onderdeel van alinea 24)?

Andere vraag is of de vermeende aansprakelijkheid van Groot vervat is de 5 wetsartikelen die worden benoemd op pag. 10 alinea 26, Groot meent dat dan allereerst de feiten waarop zaken zijn gebaseerd juist behoren te zijn, en dan dienen alle zaken en omstandigheden meegerekend te worden?.

Is het wettelijk omschreven dat crediteuren toestemming moeten geven voor een sterfhuisconstructie?

Zijn er verschillen als er geen sprake is van een sterfhuisconstructie, maar duidelijk van een doorstart?.

Is dit vervat in duidelijke wetsartikelen, en / of jurisprudentie?.  

Indien wettelijk is geregeld dat crediteuren toestemming moeten verlenen, kan een enkele crediteur een doorstart dan tegenhouden?.

Een doorstart wordt veelal door een curator georganiseerd, heeft die ook toestemming van alle crediteuren nodig?.

Kan bv. een kleine crediteur een doorstart tegenhouden, als andere crediteuren juist voor zijn?.  

Dienen crediteuren een gemotiveerde reden aan te geven om tegen te zijn. Wordt bezien of ze in hun belang worden geschaad. Men kan immers oneigenlijke en subjectieve redenen hebben?.

Kan het niet zo zijn dat er, indien die zaken al zo zijn (wat voor Groot onduidelijk en onzeker is, Groot heeft zelf geen duidelijkheid verkregen dienaangaande) dat een meerderheid van de crediteuren, of een meerderheid van het onbetaalde crediteuren bedrag bepalend is. Het komt Groot vreemd voor dat, indien een meerderheid iets wenst, dat een minderheid dit kan dwarsbomen?

Kan het zo zijn dat bv. 1 crediteur die bv. 15 % van het totale crediteuren bedrag vertegenwoordigd, tegen een doorstart is, en bv. 20 die de overige 85 % vertegenwoordigen juist glad voor, dat die ene dan de deal kan en mag tegenhouden?. Dient die dan daar zijn argumenten voor te geven, en worden die op redelijkheid beoordeeld?

Dan de vraag;  Is die toestemming ook nodig, van belang, en wettelijk verplicht (3 vragen) als het een vaststaand feit is dat, als er niet wordt doorgestart, geen enkele crediteur nog geld zal ontvangen?  (zoals in het geval van Lico teelt BV. / Lico Export BV).  dus er van het schaden van belangen geen sprake kan zijn?

In welke andere / uitzonderingsgevallen, is overleg vooraf en toestemming met crediteuren niet van belang of aan de orde?.

  1.  Voornoemde vragen zijn van belang en aan de orde, maar als dit al op wettelijke grondslag is gebaseerd, dan is de vraag of die in het geval van Groot ook geldend zijn en waren. Groot heeft immers weldegelijk met alle crediteuren overlegd zoals ook vermeld in de verklaringen van Hobaho en BDO, die daarbij betrokken waren. Daarbij waren alle crediteuren bekend met de werkelijke situatie, dus niet de onwerkelijke zoals door Duijsens geschetst, en zagen ze de doorstart als de enige kans om zaken weer vlot getrokken en op de rit te krijgen. Daarbij is ongeveer reëel gesteld dat Bleeker, voor zover zijn vordering geldend zou zijn, globaal gesteld ongeveer 15 % van het totaal bedrag aan crediteuren bedroeg.
  2.  Dit totaalbedrag per 01-07-2001 is niet al te duidelijk vastgesteld, en niet exact bepaald wat wel, en niet meetelde bv. de ING rest vordering etc. Maar Hobaho had de grootste vordering, maar ook zekerheden, maar het genoemde bedrag van ca. fl. 1.700.000 was feitelijk hoger, afhankelijk van wat mee werd geteld ca. 2  a 2,5 miljoen gulden. De vermeende Bleeker vordering was daar niet bijgeteld. Wat daar verder van moge zijn, de Bleeker vordering zou tussen de 10% en 15 % van de totale crediteuren zijn geweest, die om duidelijke redenen niet bij de doorstart was betrokken. Om de vragen te concretiseren; Kan een bestreden vordering, die hooguit 15% bedraagt van het totaal van de vorderingen, zich tegengesteld opstellen t.o.v. de overige 85 %, en daarbij op enigerlei wijze beslissend zijn?.
  3.  Daarbij was het uitgangspunt dat er in het geheel geen Bleeker vordering bestond op het moment van de doorstart. Er was slechts sprake van wederzijdse claims, ofwel ingestelde vorderingen, waar de rechter van uit zou gaan maken, wie wat, al of niet, toegewezen zou gaan krijgen. Daar waar sprake was van faillissementen, en erkenning van de curator van de Bleeker vordering, speelde dat pas bijna drie jaar later. Zoals gesteld is er behalve met Bleeker met alle crediteuren gecommuniceerd, ook met degene die later tegen eerdere afspraken in, toch een faillissement instelde (GUO).  
  4.  Daarbij zaten er twee juristen bij het team van adviseurs, mr. van Meel, maar ook N. Buisman van BDO is mr. in de rechten. Niemand heeft geopperd tegen Groot, dat ook de veroorzaker van de ellende (door de opgelopen schade van de wanprestatie van Bleeker), volgens wettelijke regels ??? bij zaken betrokken zou moeten worden. Dit zou ook een bizarre zaak zijn geweest, allereerst was die strijd onbeslist, maar Duijsens zou zeker de gelegenheid te baat hebben genomen om Groot dwars te gaan zitten, zoals hij immers altijd heeft gedaan. De eindvraag zal gaan zijn of het redelijk en reëel wordt geacht dat Groot een ernstig verwijt is gemaakt?.  
  5.  Groot heeft de gestelde zaken bestreden op een wijze die in zijn beleven voldoende had behoren te zijn. Nogmaals gesteld, bij de beweringen en verzinsels van Duijsens waren geen bewijzen gevoegd.  Duijsens heeft de omschreven eisen en stellingen, nog wat aangedikt, maar er in de memories etc. weinig meer aan toegevoegd. Dit leidde dan toch tot een uitspraak van de rechtbank Alkmaar die negatief uitpakte tegen Groot.  
  6.   Van belang is om dit duidelijk en inzichtelijk te maken aan de hand van de verdere processtukken, voor zover relevant. Vooraf wil Groot stellen dat er drie afzonderlijke zaken van doorslaggevend belang waren.  Allereerst de zaak aangaande de door Bleeker gedane verwijtbare tekortkomingen. Daar was al iets bijzonders gaande, Groot had (zoals al beschreven) een zaak tegen Bleeker  ingesteld die door het faillissement aan de curator verviel. Groot heeft gezegd dat volgens zijn informatie de financiële positie zodanig was, dat alle actief verhypothekeert en met pandrecht belast was, en dat er na de zaak gewonnen te hebben een executieprobleem zou zijn, maar op de keeper beschouwd wel een kansrijke zaak. Sweens heeft daarop t.o.v. Groot niet anders gesteld `dan dat hij geen zin in rechtszaken had, (hoewel hij later wel een zaak tegen Groot aanspande).
  7.  De beweringen die Duijsens daarop heeft gedaan is dat er eigenlijk al ten nadele van Groot was beslist, ook dat de curator het kansloos achtte, en daarom de procedure niet voort wilde zetten. Groot had gesteld dat de procedure wat hem betrof zogezegd dood mocht gaan bloeden, dus zowel de vordering van Groot als de vordering van Bleeker laten vallen, Groot heeft geen overname verzoek gedaan, Groot  had nog andere rechtszaken gaande, en kon de tijd en het geld niet missen, maar heeft de zaak ook nooit ter overname aangeboden gekregen, wat verwacht had mogen worden.
  8.  In de procedures is door Groot veel aandacht aan de wanprestatie van Bleeker besteed, Groot heeft met rapporten zijn stellingen onderbouwd, Duijsens bestreed zaken wel, maar zonder enige onderbouwing. rechter Allegro stelt in haar uitspraak dat zij anders had beslist (dus positief voor Groot waar ze nu negatief oordeelde) als Bleeker verwijtbare tekortkomingen had bij de nakoming van zijn contract. (dit losstaand van het proces verbaal waar Groot het navolgend over zal hebben) Maar dit was volgens haar nooit in rechte vastgesteld. Nu zij daartoe in staat had behoren te zijn, werd door Groot niet begrepen waarom zij het beschikbare bewijsmateriaal niet wilde  beoordelen. In feite stelde ze ongeveer als navolgend in vrije vertaling; “Het kan heel goed zo zijn dat ik een onrechtvaardig oordeel geef, maar ik ga dat niet uitzoeken, dus laat dit aan anderen over”.
  9.   Dienaangaande is Groot een aparte procedure begonnen die wederom bij deze rechter Allegro terecht kwam, die daar evenwel geen oordeel over wilde geven, en ook in andere instanties heeft niemand een zogezegde “in rechte beoordeling” willen doen. Groot is van mening dat hem op dat punt Groot onrecht is aangedaan. Erkennen dat men best fout zou kunnen oordelen en dit gelijktijdig willens en wetens doen staat haaks op een zorgvuldige rechtsgang. Groot geeft hier aandacht aan voor het goede en volledige begrip. Deze zaak valt verder buiten de beoordeling van de zaken die we aan u ter beoordeling verzoeken.
  10.  De andere zaak die buiten uw onderzoek valt, maar veel aparte aandacht krijgt, is het vervalste proces verbaal waar al eerder over is gesproken, een opzetje en complot, waar belangrijke zaken opzettelijk in zijn weggelaten. Daar waar een slechte advocaat de bevoegdheid heeft om slecht te zijn, ligt dit volgen Groot bij een curator al anders, maar is het zeker uit den boze om als rechter commissaris vuile handen te maken. Dienaangaande is er nog een verwoede strijd gaande, maar die zaken staan dus ook los van dit verzoek.
  11.  Wel wijst alles er op dat, in plaats van rotte appelen uit de mand te verwijderen, de rotte appels inmiddels de gehele mand hebben aangestoken. Duidelijk is dat iedereen de ander in dekking neemt, dit zou dus ook de verklaring kunnen zijn voor de vreemde, en discutabele uitspraken die hebben plaatsgevonden door directe collega’s van degene die wij betichten van het maken van vuile handen. Momenteel is de gehele z.g. handels en insolventiegroep van Alkmaar bezig om de advocaat van Groot uitgeschakeld te krijgen.
  12.   Terug dan dus weer bij het derde onderdeel, de vraag of  Groot vanwege zijn (vermeende en verzonnen) handelen daadwerkelijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Groot heeft de relevante stukken dienaangaande uitgeselecteerd, en daarvan de onderdelen die op het z.g. derde onderdeel slaan.  Groot stelt dat er overlap en herhaling van zetten ontstaat. Stukken die niets toevoegen laat Groot weg.
  13.   Aangaande  het verloop van de procedure na de besproken dagvaarding, is er op 8 nov. 2006 een conclusie van Antwoord ingebracht. Pagina 9 en 10 zijn in verband met dit onderzoek relevant. Bijlage 5  Conclusie van Repliek volgde 10 januari 2007 Bijlage 6 en d.d. 30 januari 2008  is een conclusie van antwoord genomen, waarvan Groot pagina 5-9 Bijlage 7 bijvoegt. De beoordelaar(s) van zaken heeft derhalve de beeldvorming compleet.  Per 19 mei 2008 is er dan een comparitie / zitting.
  14.  Dienaangaande brengt Groot de beide pleitnota’s van die zitting compleet in, Bijlage 8 en 9 maar geeft het relevante deel aan. De Pleitnota van Groot gaat in hoofdzaak over het verweer tegen de aantijging van het z.g. verwijtbare handelen van Groot. In de pleitnota van Duijsens is pagina 4 en 5 dienaangaande van belang. Aangaande de z.g. persoonlijk verwijtbare zaken brengt Duijsens na de dagvaarding weinig nieuws meer in, en is het meer een oude grammofoonplaat waar de naald van is blijven steken. Dan brengt Groot ook nog een proces verbaal in van die zitting van 19 mei 2008 als bijlage 10,  waarover hij beschikt. Dit geeft dus zo ongeveer weer wat ook in de pleitnota’s is verwoord.
  15.   Groot meent hierbij dan dat hij voldoende, en voldoende duidelijk heeft weergegeven dat de beweringen van Duijsens alle puur onjuist zijn, en dus verzonnen. Groot meent dat in tegenstelling daarmee Groot slechts juiste zaken heeft ingebracht en zijn verweer, en de relevante feiten dienaangaande, middels zijn (toenmalige) advocaat, voldoende duidelijk heeft weergegeven. Zaken uitgebreider en meer gedetailleerd weergeven zou zijns inziens meer van hetzelfde zijn en niets toevoegen.
  16.  Vervolgens kwam daar dus dan de uitspraak van 27-08-2008 waar Groot op alle drie hoofdpunten (wanprestatie Bleeker, proces verbaal, ernstig verwijt aan Groot) in het ongelijk wordt gesteld. We verwijzen naar de uitspraak r.o  4.10  tot 4.14.  Enkele delen zal Groot herhalen. Groot herhaalt een deel van r.o. 4.13 te beginnen ca, halfweg deze alinea; “Door het overdragen van alle activa aan een andere onderneming, nog daargelaten of zulks als een sterfhuisconstructie kan worden aangemerkt en of daarvoor toestemming van de crediteuren is vereist heeft Lico de verhaalsmogelijkheden van Bleeker illusoir gemaakt. Hiervoor kan naar het oordeel van de rechtbank Evereg en Groot een persoonlijk en ernstig verwijt worden gemaakt. De transactie vond immers plaats tussen ondernemingen waarvan Groot bestuurder was. Gelet op het voorgaande , is de rechtbank van oordeel dat Evereg en Groot een persoonlijk en ernstig verwijt kan worden gemaakt. De transactie vond immers plaats tussen ondernemingen waarvan Groot bestuurder was. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Evereg en Groot, in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad  in beginsel aansprakelijk zijn voor schade die Bleeker ten gevolge van dat handelen heeft geleden. Aan deze aansprakelijkheid kunnen ze alleen ontkomen, indien zij omstandigheden aanvoeren die de bewuste handelwijze rechtvaardigen. In dat kader hebben Groot en Evereg gesteld dat bij het uitblijven van de transactie geen enkele crediteur van Lico Teelt BV. voldaan had kunnen worden. Deze stelling zal de rechtbank wegens gebrek aan enige onderbouwing verwerpen”.
  17.   Wat deze rechter derhalve stelt,  is kort door de bocht, ze stelt ongeveer zoiets als;  “Of het een sterfhuisconstructie is, en of crediteuren daar toestemming voor behoren te geven weet ik niet en maakt me niet uit. Groot heeft zelf die transactie uitgevoerd, daarmee was er geen verhaal meer voor Bleeker, volgens de Hoge  Raad mag dit niet, Groot beweert dat, indien hij het niet had gedaan dat er dan geen enkele crediteur meer betaald had kunnen worden, maar dat had hij dan maar wat beter duidelijk moeten maken (zonder enige onderbouwing), dus Bingo, ik laat u hangen meneer Groot en zoek het dan verder maar lekker uit.
  18.   Groot herhaalt, Duijsens heeft een reeks van beschuldigingen geroepen, aan deze rechter te beoordelen wat daar van waar was, en nog meer, wat de rechtsgeldigheid is, maar heeft dienaangaande geen snipper bewijs geleverd en ook niet behoeven te leveren. Daarbij zou men toch kunnen concluderen dat hij wel veel heeft gesteld, maar dat zou zonder bewijs toch onvoldoende moeten zijn. Voorheen was het immers zo van “Wie eist bewijst”.  Dat dit in de huidige tijd is veranderd is Groot ontgaan.  Al eerder gesteld Groot vindt dit zeer bijzonder en vreemd. Groot meent dat het meer voor de hand zou hebben gelegen dat de rechter zou stellen dat juist Duijsens onvoldoende had gesteld. Groot wil verder gaan in wat hij er van vindt. Volgens hem is er sprake van rechtspraak die niet volgens de gestelde richtlijnen en regels gaat. Groot gaat zelf nog verder.  Nu naar later bleek, een directe collega van deze rechter een proces verbaal vervalst bleek te hebben, wat kennelijk voor deze rechter moest dienen om Bleeker een titel te verschaffen, zonder nader onderzoek naar h8n wanprestatie, is de schijn groot dat het vervalste proces verbaal de voorzet was die collega Allegro intrapte dus partijdige rechtspraak.
  19.   Groot heeft (immers) alle verweer bijgevoegd wat hij heeft gevoerd, en meent dat het stellen dat er geen sprake is van enige onderbouwing volstrekt in strijd met de door Groot aangeleverde feiten is. Deze rechter spreekt zichzelf dan wel erg tegen omdat ze in de vorige zin wél stelt dat bij uitblijven van de transactie geen enkele crediteur van Lico Teelt betaald zou kunnen worden. Groot benoemt dit zeker al als meer dan “enige onderbouwing” maar te lezen is dat Groot zeker meer dan dat heeft gesteld. Achteraf bezien had Groot inderdaad reeds alle adviseurs er bij kunnen betrekken met bv. verklaringen etc. maar Groot meende en meent nog steeds, dat hij dit pas had behoeven te organiseren, als Duijsens zijn beweerselen had (trachten te) bewijzen, althans, daar zaken op had ingebracht.  
  20.   Daarbij weet Groot niet of dit zou hebben geholpen. Alles wijst er op dat deze rechter vooringenomen was om Groot te veroordelen, en zou aanvullend bewijs pas verschil hebben gemaakt (mogelijk) als er een veelheid aan zogezegd onderbouwingsmateriaal was aangeleverd. Groot heeft enkele jaren terug een krantenartikel gelezen dat het steeds vaker voorkwam dat rechters, vooral uit gemakzucht, maar andere redenen zijn ook mogelijk, in een uitspraak de bewering doet dat hij / zij meent dat iets onvoldoende is gesteld. Dit door een afscheid nemende professor / jurist, die dit een degeneratie van het recht vond.

100   Daarbij stelt Groot dan het navolgende, Groot heeft het proces verbaal van de zitting van 19 mei 2008  bijgevoegd en stelt dat hij het ook bijzonder acht dat de rechter op voornoemd punt geen relevante vragen heeft gesteld. Vooropgesteld dat deze rechter op serieuze wijze haar vak uit wilde voeren, (?)  dan is het bijzonder dat zij, in het kader van waarheidsvinding, daar geen enkele inhoud of uitvoering aan heeft gegeven. Als ze dit van belang had geacht dan had ze daarop door gevraagd, en niet gemakkelijk onjuiste conclusies getrokken.

  1.   Beter was geweest als ze een bewijsopdracht had gegeven, dat had aan Groot kunnen zijn, omdat het een cruciaal punt was, of Groot per doorstartdatum in staat zou zijn geweest, om gelden te reserveren, of überhaupt in staat zou zijn geweest om nog enige betaling (van z.g. oude schulden, te kunnen voldoen. Dat gold overigens ook voor bewijs aangaande het slechte uitvoeren van de teelt. In het voornoemde, maar ook aangaande de rampzalige uitvoering van de teelt, is Groot aanhoudend veroordeeld op aannames zonder enig bewijs.
  2.   Groot vraagt geen beoordeling over dit vonnis, maar stelt wel een aantal vragen;

Kan een beschuldiging aangaande pauliana die een eigen leven is gaan leiden en door een tegenpartij wordt opgevoerd als een juist en vastgesteld iets, en dus een negatieve beeldvorming gevende, ook een negatieve wending aan een vonnis geven?.

Is het (tegenwoordig) gebruikelijk in het recht, dat de eisende partij niets meer behoeft te bewijzen?.

Hoe ver dient waarheidsvinding te gaan. Als iets wel is opgevoerd en aangegeven, maar onvoldoende duidelijk, is het dan gebruikelijk dat de rechter dit nader bevraagt en onder zoekt?.  

  1.   Groot is van deze uitspraak in beroep gegaan. Dit beroep heeft vrij lang geduurd, doordat er twee procedures waren ingesteld, de ene ter verbetering van het proces verbaal, die niet tot verbetering leidde, maar wel tot opmerkelijke ervaringen. De tweede procedure was, om de teelt inhoudelijk beoordeeld te krijgen, nu rechter Allegro had gesteld dat zij anders zou oordelen als was vastgesteld dat  Bleeker verwijtbaar te kort was gekomen. Deze procedure werd in Alkmaar in de handen van dezelfde rechter (Allegro) gesteld, die met een omhaal van woorden deze beoordeling achterwege liet. Groot was van mening dat zij die procedure niet had mogen doen.
  2.   De memorie van grieven voor hoger beroep is ingebracht febr. 2010.  daarin geeft Groot vooral veel aandacht aan de andere zaken vooral de wanprestatie en het proces verbaal.  Grief 5 is dan aangaande het in r.o. overwogene, zijnde datgene wat Groot in alinea 94  uit het vonnis heeft overgenomen, met als eind dat zaken onvoldoende gesteld waren. Nu het er dus om gaat geeft Groot op de pagina’s 47 t/m 51,  dus op 5 pagina’s in de alinea’s 161 t/m  179, de juiste hoedanigheden van zaken weer, en dit volledig naar waarheid, en onderbouwd. Bijlage 12.
  3.   in alinea  175 geeft Groot dan aandacht aan de afwijzing van de eisen van de curator, die dezelfde grondslag hadden van een z.g. ernstig verwijt als die van Bleeker, waarin de rechter besluit dat daar geen grondslag voor is.  De uitspraak was op het moment dat deze memorie van grieven werd opgesteld pas ca. een maand binnen, en Groot had de stellige overtuiging dat dit bij het Hof de doorslag zou geven, nu het bij Bleeker om hetzelfde ging (ernstig verwijt).
  4.  Dan geeft Groot het verweer van Duijsens  hierbij bekend en geeft dit aandacht, Groot voegt het relevante deel bij zijnde pag.  9 t/m 11  alinea’s 44 t/m/  57.  Bijlage 13.  Op zich brengt Duijsens niets nieuws maar dikt wel zaken aan en is stellig in zijn beschuldigingen en beweringen. Vooral in alinea  51 en in de laatste (56) nog eens herhaald, stelt Duijsens;  “Herhaald wordt nogmaals dat te dezen sprake was van paulianeus handelen, hetgeen alleen al daardoor is bevestigd dat een schikking met de curator is getroffen”  Uiteraard weet iedereen, dus ook en zeker een gerechtshof, dat het treffen van een schikking per definitie geen schuldbekentenis is, en ook dat Groot dit nadrukkelijk anders heeft uitgelegd.
  5.   Toch is het handelen van de curator in dezen zeer schadelijk geweest. Gesteld kan worden, dat in alle geschriften met beweringen van sterfhuisconstructies, paulianeus handelen, en andere hetzes, en met allerlei onjuistheden en onwaarheden Duijsens er toch in is geslaagd een soort hersenspoeling te bewerkstelligen die dan toch kennelijk heeft gewerkt.  Hiermee zal ook duidelijk zijn waarom Groot verzoekt om een onderzoek om tot een objectieve beoordeling te komen, vooral van de vermeende Pauliana.
  6.   Zoals te lezen in alinea 55  stelt Duijsens zich te weer tegen het als bijlage ingebrachte vonnis aangaande Sweens waarin de bestuurdersaansprakelijkheid werd afgewezen.  Dat dit, zoals hij stelt, een andere procedure was, met andere insteek en uitgangspunten moge juist zijn, van belang was slechts dat de curator zelf had erkent dat er op het moment van de doorstart d.d.  01-07-2001 sprake was van een feitelijke faillissementssituatie, en er dus van illusoir maken van wat dan ook, geen sprake was, dat gold voor Sweens, maar ook voor Bleeker. Het hof had dus die beoordeling kunnen en ook behoren te maken. In de uitspraak wordt daar geen woord aan gewijd, dit punt / onderdeel wordt doodgezwegen. Slordigheid of opzet???
  7.   Wederom worden weer allerhande zaken beweerd, alles in het verlengde van eerdere beweringen, zonder enig bewijs. in alinea 53, laatste deel stelt Duijsens; “Het is onjuist dat de oplossing van Groot voor alle betrokkenen veruit de beste is gebleken, zoals Groot nog beoogt sub 171 van zijn memorie. Het tegendeel is immers gebleken”. Het zou dan in de rede hebben gelegen dat was onderbouwd en aangetoond (bewezen) dat het tegendeel was gebleken, waarom en waarop gebaseerd. Er is immers niets gebleken, Duijsens roept maar wat. Het is juist gebleken en achteraf vast te stellen, dat het handelen van Groot voor iedereen het beste was, nu die geld hebben ontvangen wat ze anders nooit meer zouden hebben verkregen. Dat Duijsens / Bleeker daar zelf buiten viel was een andere zaak. Groot acht het aan het hof verwijtbaar dat ze al dit soort beweringen en verzinsels, de gehele reeks, klakkeloos aan heeft genomen, zoals uit de uitspraak van het hof zal blijken.
  8. Groot brengt de pagina’s 9, 10 en 11 in, Bijlage 14  van de uitspraak van het hof, nu die relevant zijn. Groot mag toch wel van een bijzondere uitspraak spreken, nu er gesteld wordt dat het best wel mogelijk zou kunnen zijn dat Bleeker het allemaal niet zo goed heeft gedaan.  Al eerder gesteld dat rechter Allegro stelde dat Bleeker het weleens fout gedaan had kunnen hebben en dat ze dan anders zou oordelen (dus in het voordeel van Groot), maar dat ze zelf geen zin had om dit nader te beoordelen. Groot verzocht derhalve dit in hoger beroep te beoordelen waar van pagina 14 tot 32 aandacht aan is gegeven en met ca. 18 bijlagen onderbouwd, met duidelijk en keihard bewijs.
  9.  Als de enige reactie die Groot daarop verkrijgt, vinden we alleen de navolgende opmerking, als begin van r.o. 3.12;   “Weliswaar zijn de tekortkomingen aan de kant van Bleeker Smit die Groot c.s. in dit geding zo sterk benadrukken nimmer in een gerechtelijke uitspraak vastgesteld……”   Ook deze rechtbank heeft dus gewoon de moeite niet willen nemen, om het rijkelijk aangeleverde bewijs te beoordelen, maar ze stelt dan later dat (onderaan pag. 9) het niet moet worden gezien als betalingsonwil ter zake waarvan de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, wat daarna dat vervolgens toch wordt gedaan.
  10.   Wat er dan verder gesteld wordt is na te lezen in de bijlage, Groot wil ook niet expliciet deze uitspraak ter discussie stellen hoewel die absoluut onnavolgbaar is, maar stelt wel dat hij vragen stelt aangaande conclusies en ook normale rechtsgang, waarvan de antwoorden mogelijk de uitspraken wel in een zeer bijzondere context kunnen plaatsen en dat Groot daar naar zal gaan verwijzen. Groot komt hier nog nader op terug.
  11.   Als laatste wil Groot nog een duidelijk punt maken aangaande het zogezegde pauliana punt, en de dienaangaande getroffen schikking. Groot heeft dienaangaande al allerlei zaken aangegeven en gesteld dat dit slechts onder aanzienlijke druk van zowel zijn toenmalige advocaat als ook op sterk aanraden, en fiattering van HOBAHO is geschiedt. De motivatie van de advocaat van Groot is enerzijds zoals dit bij doorsnee advocaten is, dat die als regel op schikkingen aansturen als daar mogelijkheden zijn, waar op zich bezien ook doorgaans niets mis mee is. Toch heeft deze advocaat Sweep  uiteindelijk zaken onjuist geregeld, en ook onjuiste informatie gegeven. Achteraf is Groot zogezegd behoorlijk aan deze advocaat bekocht geweest.
  12.   Pas achteraf hebben die zaken zich geopenbaard. Zo bleek dat hij, als jonge, beginnende advocaat, nogal snel een soort klik met Sweens had die hem de kneepjes van het curator vak leerde, met de verdienmodellen, die hij later op discutabele wijze in de praktijk bracht. Dienaangaande zijn nog steeds procedures gaande. Dan had Groot het faillissement getracht te voorkomen door de z.g. enige steunvordering te betalen. Dat er ondanks dat toch faillissement werd uitgesproken is discutabel en had anders gekund en zou bij een andere rechter anders geweest kunnen zijn, en zou Groot alle daaropvolgende ellende met zakkenvuller Sweens hebben bespaard. Vrij zeker is dat achter de rug om van Groot deze mr. Sweep en Sweens al af hadden gesproken dat ze er bij Groot een schikking uit zouden gaan wringen.
  13.  Zowel deze advocaat Sweep en curator Sweens waren er stellig in dat Groot of de boedel de  betaalde 32.628 (steunvordering) als ten onrechte betaalde vordering terug kon vragen / eisen, althans werd gesteld dat Sweens dit namens de boedel zou kunnen doen.  Sweens had er zelf weinig zin in maar wilde dit, in het kader van een schikking, wel aan Groot overdoen. Groot meende dat hij dit, als dit inderdaad op wettige grondslag was gebaseerd (als twee juristen dit stellen gelooft Groot dit) zou kunnen, te overwegen zijn. Dit zou dan als onderdeel van de beoogde schikking kunnen zijn, zodat Groot dit terug kon vragen of verrekenen, waardoor Groot wat meer bereidheid verkreeg om zogezegd voor een schikking door de knieën te gaan, wat Groot eerst categorisch weigerde.
  14.  Een ander deel van de schikking  zou dan geld zijn wat door klanten van Lily Company bv. (de doorgestarte BV) per abuis op de oude dus verkeerde bankrekening was overgemaakt (die van de failliete BV. Dit gebeurde voordien ook regelmatig, maar kon Groot toen zelf corrigeren. Sweens weigerde dit evenwel aan de rechtmatige eigenaar te betalen wat Groot echt zeer boos maakte (wat in de correspondentie doorklinkt)).  Om eigen geld terug te krijgen zou Groot moeten procederen, maar het kon wel als onderdeel van de schikking gelden. Daarmee erkende Sweens derhalve dat het geld van Lily Company was, wat hij onrechtmatig confisqueerde (noem het maar gewoon stelen). Nu het Groot duidelijk was dat hij veel moeite zou moeten doen om het door Sweens achterovergedrukte geld weer in handen te krijgen, gaf Groot er (uiteindelijk) op toe om dit als onderdeel van een schikking te laten zijn.
  15.   Dat het betaalde bedrag aan GUO door Lily Company BV. betaald, onverplicht betaald was werd in latere instantie door GUO bestreden (ca. jan/febr. 2004)  waarna zowel Sweep als Sweens laconiek mededeelden dat  zij  mogelijk ongelijk en het GUO dus gelijk hadden en Groot maar gewoon dat bedrag aan Sweens moest betalen, waarna Sweep zich als advocaat van Groot terugtrok, dus Groot liet vallen, en later grote vrienden met Sweens bleek te zijn, die hem de kneepjes van het curator zijn leerde. Dit gebeurelde kort voor de verificatievergadering van 14-05-2004.  Gesteld werd later dat Groot juridische bijstand had, maar dit was dus ook onjuist. Dit alleen ter informatie van verder verloop van zaken.

118   Wat Groot nu nog aan wil tonen is dat hij zelf het altijd met de schikking oneens was, daarbij de stellige overtuiging had dat hem geen enkele verwijt was te maken en dat hij zich zo ook in correspondentie heeft geuit, en alleen maar onder grote druk tot een schikking is gedwongen. Groot heeft dit wel eerder betoogd, maar wil dit, nu dit van groot belang is voor een zo objectief mogelijke beoordeling, ook nader onderbouwen met de relevante correspondentie van die periode. Er vond meer briefwisseling, eerder en later plaats, die verder weinig toevoegen. Groot brengt de briefwisseling in vanaf ca. 30 mei  tot  20 juni 2003 in.  Die brieven zaten als genummerd 35 t/m. 42.in het dossier.  Groot handhaaft die nummering nu deze briefwisseling daarmee ook onderscheidend is van de andere bijlagen.   Voordat Groot daar zijn commentaar bij geeft, wil Groot de omstandigheden schetsen en aangeven onder welke druk hij verkeerde.

  1.   Naast al degenen die Groot en zijn bedrijf in de vernieling wilden helpen waren er ook meerdere die Groot en zijn bedrijf wilden helpen en steunen, waarbij, zoals al aangegeven de HOBAHO een doorslaggevende rol had, waarbij dhr. Siebelt de contactpersoon was. Deze is nog steeds in dezelfde functie bij HOBAHO werkzaam en dus benaderbaar, en bereid tot verstrekken van welke informatie dan ook, die overigens overeen zal komen met datgene wat door hem al schriftelijk is verklaard. Ook kreeg Groot volle steun van een aantal klanten en leveranciers, waar Groot ze nog steeds dankbaar voor is, maar dit ter zijde.
  2.   De omstandigheid was dat ze als HOBAHO konden en wilden helpen, enerzijds om daarmee een z.g. oude vordering van henzelf veiliger te stellen, maar ook omdat ze het bedrijf kenden en er in geloofden aangaande potentie. De insteek bij de voorbereiding van de z.g. doorstart was, faillissement stellig trachten te gaan voorkomen, en zo snel mogelijk een andere financier trachten te vinden. Als HOBAHO alle zaken die daar uiteindelijk toch uit voortkwamen had voorzien, dan zouden ze zich zeker hebben bedacht. Het gevolg zou zijn geweest dat er reeds per 01-07-2001 een faillissement zou zijn geweest, en daarmee zou Groot dus heel veel ellende bespaard zijn gebleven, en zouden er gelijktijdig voor enkele miljoenen guldens bij crediteuren onbetaald zijn gebleven.
  3.   De inzet van HOBAHO werd ook ingegeven door het feit en gegeven dat daardoor ook bij veel andere klanten van HOBAHO, die crediteur bij Groot waren, grote stroppen zouden ontstaan. Als daarbij het gehele handelsnetwerk en de productie uit elkaar zou vallen zou er sprake van grote kapitaalvernietiging zijn geweest. Dit had zich al ingezet nu HOBAHO niet alle crediteuren / contracttelers op één lijn kon krijgen, en het latere planten van het plantgoed, al direct zich vertaalde in mindere oogst, en een contractteler uit onwil nog een grote calamiteit extra veroorzaakte. HOBAHO had voorwaarden gesteld zoals vermeld in een bijlage die we nog nader gaan bezien, toen zaken ongeveer op de rit waren gezet, was de eerste extra en onnodige schade al geïncasseerd. Niet alleen zouden er dan geen z.g. oude crediteuren meer kunnen worden betaald, maar ook een flink aantal die al aan Lily Company bv. als een soort boedelkrediet toe waren te rekenen. Ook die te verwachten indirecte schade, telde zwaar.
  4.   Duidelijk dient te zijn dat het faillissement en de interactie met Sweens pas twee jaar later plaats vond. Toen GUO na eerdere toezeggingen ineens niets meer wilde regelen, en de faillissementsdreiging ontstond, was Groot al in gesprek met Rabobank voor een nieuwe financiering. Daarmee zouden alle zaken zijn opgelost en geregeld en HOBAHO zou geen betrokkenheid meer hebben, en ook alle z.g. oude crediteuren zouden  worden afgewerkt. Terwijl dus op een bepaald moment leek dat alle leed was geleden kwam de kink in de kabel, dankzij een advocaat en incassobureau, wat van het GUO de ruimte kreeg, maar alleen op eigen belang uit was, het begin van  veel ellende.
  5.  Voor HOBAHO was dit zeer frustrerend want hun schuld was nog flink opgelopen, in feite ten behoeven van andere crediteuren. Hoewel ze geen grote druk uitoefenden, gaven ze aan dat hun grote voorkeur was, om door snelle beëindiging van de faillissementen, de situatie zodanig terug te krijgen, dat weer een normale financiering kon worden verkregen. In hun optiek (en die van Groot) was er in het geheel geen sprake van afregelen van (vermeend) paulianeus handelen, maar slechts van het afkopen van een snelle afhandeling van zaken. Dit waren dus ook de afspraken, anders zou HOBAHO nooit hebben ingestemd of er op aan hebben gedrongen.
  6.  Dat Sweens nooit enige afspraak na kwam, overigens met fiat van de rechter commissarissen, is al afdoende duidelijk gebleken. Als HOBAHO niet had aangedrongen, of stellig geadviseerd zou Groot nooit hebben ingestemd, en zou Sweens de keuze hebben moeten maken of hij daadwerkelijk tot een procedure over was gegaan, wat Groot durft te betwijfelen, maar als dat zo was geweest dan mag Groot er van uitgaan dat bij correcte rechtsuitoefening en rechtspraak (die niet vanzelfsprekend blijkt te zijn), de z.g. eisen van Sweens zouden zijn afgewezen. Dit zou er dan toe hebben geleid dat dit in latere omstandigheden ook niet door Duijsens / Bleeker gebruikt had kunnen worden om Groot nadelig neer te zetten en, in zijn beweringen het (vermeende) paulianeuse  handelen, te pas en te onpas, tegen Groot te gebruiken.  Groot meent dat dit alle verschil had kunnen maken.
  7.   Dan nog een opmerking erbij, zaken van 11,5 jaar teruglezende, kan men lezen dat er in de brieven van Groot een flinke emotie, en ook frustratie tot uiting komt t.o.v. Sweens. Dank zij voorgaande toelichting en uitleg van zaken zullen zaken wat duidelijker zijn, maar bedoeld voor Sweens die van de hoed en de rand wist, maar moeilijker begrijpelijk voor iemand die niet volledig in de materie zit. Duidelijk is ook dat Groot nogal direct en geagiteerd stellingen inneemt.  Bedacht dient te worden dat Groot  zich klemgereden voelde en steeds meer een afkeer kreeg van de curator die hem belaagde, en daarmee, zoals later ook overduidelijk is bewezen, daarmee de crediteuren benadeelde waar Groot zich juist voor inzette om eenieder het zijne te geven. Groot heeft Sweens ook afdoende duidelijk gemaakt dat hij niet deed wat hij behoorde te doen. Ook dient hierbij bedacht dat Groot een drukke baan had, met veel extra drukte doordat allerlei relaties/klanten van Groot werden belaagd door concurrenten en er onrust werd gestookt en de situatie tegen Groot uitgebuit werd.  Verder spreken de brieven voor zich. Onder die omstandigheden stond Groot er alleen voor om een bedrijf gaande te houden, dat geen financiering kon verkrijgen, met een tiental vaste werknemers ( en ca. 25 losse in het seizoen) een omzet van pakweg 3,5 miljoen euro, te vertalen in ca. 150 vrachtauto’s met leliebollen, ruim 100 klanten, een tiental contracttelers en ca. 50 andere leveranciers.
  8.   Normaal gesproken vond de communicatie middels de advocaat plaats, en kreeg Groot ook meteen klachten en commentaar van de eigen advocaat en die van de tegenpartij, als hij rechtstreeks reageerde. De eerste brief die Groot inbrengt is van ca. 30 mei 2003.  (35)  Het is een concept van zijn advocaat, nog zonder datum maar is later ongewijzigd verzonden aan Sweens door de advocaat van Groot. Deze brief geeft aan wat al is beschreven, aangaande betaalde steunvordering en het achterovergedrukt geld. Brief nr. 36 geeft reactie Sweens weer.  

De volgende brief  (37) is d.d. 6 juni rechtstreeks (buiten de advocaat om) naar Sweens gefaxt door Groot. In die brief stelt Groot dat hij alleen om praktische en pragmatische redenen een voorstel wil doen, althans, dit in de lijn van eerder besproken zaken, maar stelt dat een lopende rechtszaak (Bakker) dan ook aan Groot dient te vervallen (om niet), zodat Groot die zaak uit kan procederen. Groot steekt verder zijn mening niet onder stoelen of banken, spreekt zijn ongenoegen uit maar stelt dat hij maar de wijste zal zijn.

  1.   In een brief van 16-06-2003  (38) stelt dan Sweens dat hij meent dat de vordering van Bakker nog wel 10.000 Euro waard is in zijn beleven. Nu Groot dit een totaal onredelijk bedrag vindt, en al had aangegeven dat Groot de vordering / rechtszaak, er “om niet” bij wilde hebben, maakte dit Groot zeer boos. Sweens gedroeg zich als rupsje nooit genoeg. Duidelijk was dat Sweens wist dat Groot in de knoei zat, omdat belangrijke zaken snel schade zouden gaan genereren als die niet snel werden geregeld, en Sweens begreep dit ook, en maakte daar misbruik van, door Groot daarmee extra onder druk te zetten.
  2.   Nog dezelfde dag heeft Groot gereageerd, in een emotionele, en ook duidelijk in der haast geschreven brief (39). Ook deze brief geeft zaken duidelijk weer, en is volgens Groot de brief die het duidelijkste maakt wat Groot er van vond, en hoe hij zich onder druk gezet voelde. Groot is er duidelijk in dat hij de curator met zijn geëist bedrag voor de Bakker vordering, onbillijk en onbehoorlijk vind. Groot stelt dat hij het gehele schikkingsvoorstel beziet als chantage zonder enige rechtsgrond, en Groot stelt dat, indien Sweens het bedrijf van Groot kapot wil gaan procederen, dat hij dat dan maar vooral moet doen, en gooit de knuppel in het hoenderhok, door de gehele deal op te blazen.  Deze brief geeft derhalve het duidelijkst weer, hoe zaken zijn gegaan en dat Groot de volle overtuiging had en heeft dat hij juist zeer correct en gewetensvol had gehandeld naar iedere eerlijke en correcte crediteur, leverancier, contractteler of wie dan ook, ondanks het feit dat ook die het wel eens moeilijker maakten dan nodig, en probeerden voorkeursposities af te dwingen. Aangaande al die zaken, wordt meer informatie gevonden in andere stukken en ook verklaringen van betrokkenen.
  3.   Groot stelt dat hij de overeenkomst, voor zover hij bereid was toe te stemmen, niet meer wil effectueren en stelt dat Sweens maar vooral zijn gang moet gaan om het bedrijf ten gronde te richten en kapot te procederen, en wijst Sweens op de (grote) gevolgen bij Groot en bij veel crediteuren, en stelt dat Sweens dat dan vooral maar moet gaan doen, en stelt Sweens aansprakelijk voor alle gevolgen waar Groot op wijst. Klip en klaar duidelijk daarmee is dat Groot er van overtuigd is dat hij zelf ten behoeve van de crediteuren zeer constructief en gewetensvol heeft gehandeld, werpt in die brief iedere (valse) beschuldiging ver van zich af, en stelt dat hij gewoon geen zin meer heeft in die koehandel, ondanks druk van de eigen advocaat, om zich nog verder te laten chanteren. De indruk dat Groot zich schuldig voelde aan paulianeus handelen, of de gedachte had dat daar enige grondslag voor kon bestaan, en derhalve Groot dus maar snel tot een schikking bereid was, is hiermee wel weggenomen meent Groot.
  4.    De reactie van Sweens (40)is er binnen twee dagen. Met een soort pruillipje klaagt hij over de onaardige toonzetting van Groot, en moet zich er bij neerleggen dat Groot geen regeling wenst. Ook daarop reageert Groot (41) direct en rechtstreeks. Die brief geeft nog een extra bevestiging van het hierboven gesteld,  Uit de opvolgende brief blijkt dan dat Groot zich in een lang telefoongesprek mr. Sweep uitvoerig overleg had met Groot. Groot herinnert zich ca. een uur, Groot was pisnijdig op de onbetrouwbare en inhalige curator, en ondanks de druk van alle kanten had hij geen zin om zich nog meer te laten chanteren.  Dat Groot uiteindelijk toch in de koehandel, door de knieën is gegaan (42), uiteindelijk toch op advies van HOBAHO dat de doorslag gaf, nadat Sweens zijn prijs voor de Bakker vordering had gehalveerd, betreurt Groot tot op de dag van vandaag, en tot het einde van zijn leven. Achteraf is de Bakker zaak, door de nog te maken kosten, getuigenverhoren enz. als het ware doodgebloed. Groot beschuldigd Sweens van chantage en noemt hem destructor, waar hij nog steeds achter staat. Ook stelt Groot dat dit wel uit zal draaien op extra agressie en rancuneus handelen. Die profetie is meer dan ten volle uitgekomen. Daar ligt ook een verklaring dat hij (een klein jaar later, Duijsens zo ter wille was).
  5.   Groot meent dat het van belang is dat dit allemaal klip en klaar duidelijk is.  Verder concluderen we dan dat over de Bleeker zaak niet is of wordt gesproken. Bij alle crediteuren, en zeker bij HOBAHO, was bekend dat de daar opgelopen strop de emmer had doen over lopen, en dat zonder die strop, en de opvolgende rechtszaak, het krediet niet zou zijn  opgezegd, en Groot daaropvolgend gewoon een bloeiend bedrijf zou hebben gehad en gehouden.
  6.   Het hof verwijt dan dus Groot dat die, ondanks al datgene wat Groot daartegen heeft ingebracht, dat Groot met Bleeker in gesprek had moeten gaan en dat Bleeker dan zou gaan bepalen of de doorstart wel of niet door zou gaan. Het hof stelt, dat het zeer wel mogelijk is dat Bleeker zijn zaken niet goed had gedaan, en ook dat het mogelijk was dat er geen enkele vordering kon worden voldaan, maar is van mening dat Groot tezamen met zijn adviseurs bij elkaar is gaan zitten om een “Manoeuvre” te bedenken, om de vordering van Bleeker (die er niet eens was) illusoir te maken. Ook apart en volgens Groot niet in lijn van goede rechtspraak, werd het verzoek tot getuigenverhoor wat door Groot was verzocht, verworpen.
  7.   We bezien in de uitspraak van het hof, dat er eerst bepaalde twijfel wordt geuit, maar het heeft er alle schijn van dat men desalniettemin vooringenomen was om Groot te veroordelen.  Groot stelt het relevante deel uit de uitspraak”, laatste deel r.o. 3.15; “Aangenomen dat Lico Teelt op zeker moment inderdaad in betalingsonmacht verkeerde en het in het belang van betrokkenen, waaronder andere schuldeisers was om de activiteiten door Lily Company te laten voortzetten, konden Groot c.s. daarin geen rechtvaardiging vinden voor een manoeuvre waarbij zij eigenmachtig, en kennelijk doelbewust, hebben voorkomen dat Bleeker Smit ooit nog haar (gepretendeerde) vordering op Lico Teelt zal kunnen verzilveren. Ook overigens hebben Groot c.s. niet aannemelijk gemaakt dat dit handelen door bijzondere omstandigheden werd gerechtvaardigd.”
  8.   Groot wil hier nog nader op in gaan, het hof stelt dus eigenlijk dat ze aan kunnen nemen  dat Groot het beste deed voor alle andere betrokkenen. Allereerst daarbij opgemerkt dat recht betracht dient te worden op bewezen feiten en niet op aannames, maar dat terzijde. Daarna spreekt ze zichzelf tegen en zegt ze dat het bij Groot niet (zoals eerst gesteld) om de totale belangen ging, maar dat het een doordacht opzetje was geweest om Bleeker buiten spel te zetten, dat is het tegengestelde en daarbij ook nog een grove beschuldiging. De wanprestatie plegende veroorzaker van alle ellende, dhr. Bleeker waarvan ter discussie staat of die in feite een vordering had, en zoals eerder gesteld, maximaal 15 % bedroeg van het totaal aan onbetaalde crediteuren, schijnt dus belangrijker te zijn dan alle andere crediteuren en het belang van Groot zelf, en wat en wie dan ook.  
  9.   Volstrekt onbegrijpelijk ook is, waarom het hof dit zo extra aandikt. Duijsens heeft zelf nooit gesproken van een manoeuvre of wat dies meer zij. Volstrekt onbegrijpelijk is derhalve waarom het hof verder gaat dan Duijsens zelf om Groot toch overduidelijk, en dit uitsluitend op aannames, en we lezen het woord “kennelijk” (doelbewust), waarbij kennelijk ook een aanname, iets wat beslist niet zeker is, is. Dan heeft ze het wel over de “gepretendeerde”vordering, dus ze twijfelt zelf (kennelijk) aan de juistheid van de vordering.
  10.  Nog wat nader vertaald en omschreven, het hof stelt dat ze nergens zeker van is, dat ze wel aanneemt dat Groot niemand kon betalen (dus de “gepretendeerde”vordering van Bleeker was ook al illusoir) en dat Groot het beste deed voor de andere crediteuren die niet een “gepretendeerde”vordering hadden maar een echte en erkende, en die een prestatie en geen wanprestatie hadden geleverd, en waar Groot zich vol voor in wilde zetten. Het hof stelt dus dat het best allemaal juist kan zijn wat Groot heeft gesteld, en dat Groot goed bezig was ten behoeve van de belangen van de crediteuren die een niet “gepretendeerde”maar echte vordering hadden. Er is zo ongeveer een complimentje voor Groot in te lezen.
  11.   Vervolgens maakt het hof een slag van 180 graden en blijkt Groot in eens, met niets anders bezig geweest te zijn, dan op zijn eigen houtje (eigenmachtig) en opzettelijk (kennelijk doelbewust) dat Groot juist niet bezig was met de belangen van alle crediteuren, maar alleen met de “manoeuvre” om Bleeker Smit een geintje te flikken. Groot lijkt dat dan zelf allemaal bedacht te hebben, zeg maar dat het aan het criminele brein van Groot is ontsproten, zonder hulp van adviseurs. Dit is derhalve volledig in tegenspraak met de aanname die daar aan voorafging, en is overigens ook niet meer en minder als een aanname, zonder enig verder bewijs.
  12.   Dan blijkt de bewering van niet “aannemelijk” (wederom een aanname) dat het handelen door “bijzondere omstandigheden werd gerechtvaardigd”. Groot meent dat dit twee zaken bewijst, waarvan Groot niet kan bepalen welke dit is. Of men heeft gewoon het dossier en de stukken niet gelezen, wat bol staat van bijzondere omstandigheden, en men heeft klakkeloos geoordeeld op wat “aannames”, (lees verzinsels van Duijsens) wat zeer kwalijk zou zijn, maar een andere mogelijkheid is dat men om enige reden, (waar Groot dan weer “aannames”voor zou kunnen bedenken) al op voorhand vooringenomen was om Groot in het ongelijk te stellen, wat nog kwalijker zou zijn.
  13.   Nogmaals, Groot heeft de vonnissen besproken en er wat van gezegd en geoordeeld, maar verzoekt antwoord op de gestelde vragen, maar niet expliciet een beoordeling van de vonnissen op hun merites, of een z.g. duidelijk waarde oordeel aangaande de vonnissen. Dit omdat dat nu eenmaal gevoelig ligt.  Groot merkt nog op dat rechters steeds vaker zich er mee afmaken dat iets onvoldoende gesteld is, dat geld evenwel ook voor de gemeenplaats dat “van bijzondere omstandigheden” niets is gebleken, ook al is dit volstrekt ten onrechte.
  14.   Hoewel Groot er van uit mag gaan dat er een duidelijk beeld van de voorgevallen zaken is geschetst, mag het begrijpelijk zijn dat Groot zijn zaken volstrekt duidelijk en niet te weerspreken naar voren heeft gebracht, zodanig dat de modeterm, dat zaken onvoldoende zijn gesteld, zogezegd, niet op kan gaan nu die bewering nagenoeg volkomen onmogelijk is. Derhalve zal Groot tot slot nog aandacht geven aan de bij deze zaken betrokken adviseurs, die alle nog in functie en dus benaderbaar zijn en tot commentaar bereid zullen zijn, om hun reeds op schrift gestelde meningen en feiten relaas te bevestigen. Sprake is van lieden met goede kwaliteiten, reputatie, en als integer zijnde bekend zijn. Groot geeft aan dat hij al aan de één en de ander heeft gerefereerd, en ook dat het bijgevoegde document 4, ook benoemd als verklaring B1,  het voorgaand beschrevene bevestigd en onderschreven dus bevestigd is door zowel D. Siebelt van HOBAHO, als ook door mr. N.J. Buisman van B.D.O. is onderschreven. Daarmee is derhalve al een flinke slag gemaakt. Groot had de documenten aangaande een andere opstelling gemerkt als B 1  t/m B 8,  een aanduiding die hij hier handhaaft ter onderscheiding van andere bijlagen dus verdeeld in duidelijke groepen.
  15.   Van overwegend belang zijn de verklaringen van H. Veldman. De eerste dateert van 18 april 2001  dus nog voordat de z.g. doorstart was geëffectueerd, om zaken en gang van zaken duidelijk te hebben. Groot heeft recent verzocht om een aanvullende verklaring om zaken nog iets duidelijker gesteld te krijgen. In deze verklaringen wordt de gehele gang van zaken en interactie men de ING Bank weergegeven. Impliciet is overduidelijk dat er op geen enkele wijze sprake was, van betaalmogelijkheden voor z.g. oude crediteuren. Overigens zijn dit normale situaties in dit soort omstandigheden. De recente verklaring merkt Groot als B2B.  Overigens kan dit ook worden bewezen met een uitgebreide correspondentie met ING Bank die nog compleet op de plank ligt.
  16.  Het was het belang van ING om daar zoveel als nog mogelijk was onbetaald te laten dus alle vorderingen werden eerst maar deels, selectief betaald, en later, maar lang voor de z.g. doorstartdatum, konden feitelijk ook niet eens lonen etc. betaald. Alles wat daarover door Duijsens is beweerd, is tegen beter weten in verzonnen. Dat dergelijke zaken, ondanks dat ze werden weersproken, toch zo een eigen leven hebben kunnen gaan leiden is onnavolgbaar en onbegrijpelijk, waarbij Groot nogmaals verwijst naar de vermeende z.g. manoeuvre die door het Hof is verzonnen.      
  17.   Vervolgens verwijst Groot naar de verklaringen van N.J. Buisman. Zoals gesteld, wordt die aangevuld met document 4 (B1), maar de verklaring benoemd als B3 dateert van 19 februari 2009. Deze verklaring was meer bedoeld als bijlage in de rechtszaak die Sweens had ingesteld, maar is ook in de Bleeker zaak van belang, nu er duidelijk wordt gesteld hoe zaken voorafgaand aan het officieel maken van de doorstart zijn gegaan, en dat zaken in overleg gingen met adviseurs, en ook dat er door hem vergaderingen zijn bijgewoond door belanghebbenden. Hij spreekt in zijn verklaring van “afnemers” van de vennootschappen, wat “crediteuren”moet zijn. Zo is er een specifieke vergadering geweest met contracttelers.
  18.   Groot geeft hierbij speciale aandacht voor de navolgende passage op pag. 2. waar Buisman stelt als navolgend, “Het verbaast mij zeer dat de heer Groot als bestuurder aansprakelijk is gesteld. Uit eigen ervaringen vanaf 2001 heb ik geconstateerd dat de heer Groot al het mogelijke heeft gedaan om zijn bedrijf, gevoerd door in Teelt en Export, te redden door de crediteuren op de hoogte te stellen van de financiële positie van het bedrijf, die veroorzaakt werden door de slechte resultaten in de boekjaren 1999/2000 en 2000/2001, alsmede door het opzeggen van de financiering door de ING Bank”.  Dit, en de verdere verklaring, spreekt volgens Groot voor zich.   
  19.   Ook de verklaringen van Siebelt geven belangrijke zaken weer. Allereerst heeft hij B1 (document 4), ook onderschreven. Dan  B4, de eerste is geen verklaring maar het resultaat van het overleg wat voorgaand intensief was gevoerd per d.d. 28-06-2001, en alleen bedoeld voor vastlegging tussen HOBAHO en Groot. Dat dit document in later stadium ook zou gaan dienen als een belangrijke informatie brom aangaande allerlei zaken en aantijgingen die later zijn gevolgd was totaal niet te voorzien. Alle opzet was immers juist om al die zaken te voorkomen. Nogmaals en voor alle duidelijkheid, ook en vooral voorkomen dat er toch faillissementen ontstonden. Dit gebeurde pas bijna 2 jaar later, en was totaal onvoorzien.
  20.   B5.  is ook niet als verklaring van zaken bedoeld, maar een brief aan Sweens verzonden die toen net curator was in beide faillissementen, en niet anders bedoeld om goede, juiste en betrouwbare informatie aan Sweens te verstekken, met als enige opzet, dat die daar dan te goeder trouw verder mee zou gaan handelen om op correcte wijze zijn taak te vervullen. Op dat moment was kwade trouw, en onbetrouwbaarheid, nog niet te voorzien. Op pag. 2   ca. midden, stelt Siebelt; “Daarbij menen wij ook, en dat kunnen wij als weinig anderen ten volle onderschrijven, dat P. Groot en zijn medewerkers, onder grote druk en moeilijk werkbare omstandigheden een uitzonderlijke prestatie levert door toch zaken gaande te houden en problemen constant het hooft weet te bieden.”  Dit, en ook het in de volgende alinea gestelde, is totaal anders en tegengesteld aan de naar Groot toe zeer beledigende en schofferende opmerking aangaande een “manoeuvre” zoals het hof Groot beoordeeld, en veroordeeld. Siebelt was er bij (en stak flink zijn nek uit), de raadsheren van het hof hadden slechts de verzinsels van Duijsens, en hun fantasie wat “kennelijk” met ze aan de loop ging.
  21.   Verder stelt Siebelt;  “Aangaande de verkoop van de bollenkraam zijn wij van mening dat van paulianeus handelen naar onze mening absoluut geen sprake is geweest, en daar waar uiteindelijk de opbrengst in Lily Company BV mee is gevallen (wat per oogst 2001 niet het geval was) dit aangewend is tot afhandeling van zaken die anders nooit afgehandeld zouden zijn geweest, ten voordele van de z.g. oude schulden van Lico.”  Groot meent dat deze passages, en ook de rest van de brief, voor zich spreken. Onder verwijzing naar de voornoemde correspondentie benoemd als 35-42, die ca. 2 maanden later gaande was, heeft deze brief Sweens er dus duidelijk niet van weerhouden om een chantage traject met Groot in te gaan.
  22.  De volgende, B 6 is wel een officiële verklaring, vooral bedoeld om in de procedure met Sweens in te brengen en bevestigd eerder gestelde zaken. Recent is nog om aanvulling verzocht en is dit verkregen in verklaringen van 25 aug. 2014.  die we maar B7 en B8 noemen. Als laatste zin staat in die verklaring; “Het is de mening en conclusie (van Siebelt van HOBAHO) dat dhr. P. Groot door mr. Duijsens, cru gezegd, door een opstapeling van onjuiste veronderstellingen de vernieling is geholpen”.  Zaken spreken derhalve voor zich en onderbouwen en bevestigen al het voornoemd gestelde.
  23.   Als laatste aandacht voor mr. van Meel. Die is al benoemd en besproken. Deze had tegen Groot gesteld dat Groot in geval van nood contact met hem op kon nemen, toen hij de advocatuur verliet en tot de rechtelijke macht toetrad. Evenwel, toen Groot een beroep op hem deed stelde hij dat hij niet vrij was om zaken te verklaren als rechter zijnde, maar dat dit zou veranderen als hij de rechtelijke macht, na zijn 70 ste verjaardag, zou moeten verlaten. Dit was augustus 2013. Daarna is na contact, en kennisname van alle zaken die plaats hadden gevonden, hij zeer verwonderd en ook wel verbolgen. Hij heeft er in toegestemd, om Groot bij te staan, waar mogelijk, dit naast en in overleg met de andere advocaat van Groot, is momenteel als zodanig actief. Duidelijk moge zijn dat hij alle gestelde zaken zal onderschrijven en wat bij hem bekend is ook bevestigen,
  24.  Nogmaals, Groot vraagt een beoordeling en beantwoording van een reeks van vragen. Opvolgend  een beoordeling van zaken, vooral of sprake was van benadeling van crediteuren, of juist omgekeerd,  en daar opvolgend conclusies die op één A vier zijn te plaatsen.

VRAGEN

Groot gaat hierbij verder met het herhalen van de reeds benoemde vragen en aanvulling daarop. Groot acht de mogelijkheid reëel dat de antwoorden tot aanvullende en nieuwe vragen kunnen leiden.

  1.  Bedrijven passen vaak verrekeningen toe (ook de bedrijven van Groot) wat in de boekhouding officieel wordt verwerkt. Is dit legaal of bij wet verboden ?
  2.   Mocht dit niet bij wet verboden zijn (bij Groot is een verbod niet bekend) waarom kon curator Sweens daar een punt van maken?.  Zijn zaken anders indien dit van doen heeft met de betalingen voor de z.g. transactie zoals die in dit stuk is benoemd?.
  3.   Sweens sprak over selectieve betaling door Groot. Buiten beschouwing latende of dit juist was, was Groot bevoegd om de eigen volgorde van betalen te kiezen die hij wenselijk achtte?.
  4.   De curator stelde in zijn verslag, (pag. 19) dat de koopsom ten goede had behoren te komen aan de gezamenlijke crediteuren. Hoe hij zich dit voorstelde is dan de vraag omdat de gelden in gedeelten vrijkwamen. Wat daar verder van is, nu Groot in eigen beleven vrijheid van handelen had (hij was niet aan regels gebonden zoals bv. een toezichthouder of curator) en ook rekening te houden met het bedrijfsbelang en verzekeren van continuïteit, is de vraag;  Volgens welke wet had Groot daartoe een wettelijke verplichting?
  5.   Zijn er signalen dat Groot er over uit was om erkende en z.g. oude crediteuren, na de doorstart te willen benadelen?. Was benadelen de opzet van Groot. Gebeurde dit  eigenmachtig en doelbewust.?
  6.   Belangrijke vraag daaraan verbonden, kon Groot voor, tijdens en direct na de doorstart enige crediteur betalen? Is dit voldoende duidelijk gemaakt dat dit niet zo was, en is er nog behoefte aan de correspondentie met ING Bank in die tijd?
  7.   Is duidelijk althans aannemelijk ofwel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aan te nemen dat Groot alle crediteuren (behalve bestreden crediteuren) zou hebben betaald  als hij niet door curator Sweens in de wielen was gereden zoals beschreven?
  8.   Groot werkte met maatwerk met crediteuren, bv. een crediteur die faillissement  aan wilde vragen nam genoegen met 50 %, een andere verkreeg een tractor, weer een ander accepteerde lelieplantgoed, etc. Dus aparte overeenkomsten. dus niet de z.g. gelijke verdeling van Sweens. Handelde Groot daarmee legaal?.
  9.   Als het legaal was, was dit behoorlijk handelen van Groot of onbehoorlijk zoals Sweens suggereert?
  10.   Groot had een overeenkomst gemaakt, in overleg met zijn adviseurs, met Groot zelf als de directeur van de betrokken twee BV.s die moesten  beëindigen, en de ene die door zou gaan. Had Groot daartoe de bevoegdheid. Worden bevoegdheden door de wet ingeperkt? indien het geval heeft dit voldoende bekendheid?
  11.   Zoals beschreven heeft Groot een veel groter bedrag betaald ten behoeve van z.g. oude crediteuren. Groot meende dat dit het bedrag moest zijn wat Sweens als betaald bedrag diende te beschouwen, wat is daarover uw mening?.
  12.  Op enig moment heeft Sweens zelfs beweerd dat Groot niets had betaald, nu dit rechtsstreek aan de crediteuren was betaald, en verrekend (hun vordering was dus wél voldaan dus bestond niet meer).  Wat is daarover uw mening?.
  13.  Als het daadwerkelijk betaalde bedrag geldend en leidend is te bezien, wat kan dan de reden van Sweens zijn dat hij dit niet wilde aanvaarden en accepteren?. (in feite hield Sweens zich op de vlakte, gaf geen standpunt, maar handelde als dat hij dit afwees of bestreed. Als hij dit accepteerde zou zijn pauliana beschuldiging op voorhand geen steek houden)?.   
  14.   Hoofdvraag;  In bijlage 1 (pag. 19) geeft Sweens een conclusie op basis waarvan hij de transactie aanmerkt als paulianeus, en stelt dat die om die reden kan worden vernietigd. Op basis van alle ins en outs door Groot gesteld, deelt u die conclusie?.
  15.  De van Groot verkregen gelden zijn alle door Sweens, zogezegd weggedeclareerd in de eigen zak. ziet u dit als een correcte standaardafhandeling?.

Tot zover de vragen aangaande beschuldiging paulianeus handelen door Sweens. Vervolg van vragen zijn aangaande handelen en  beweringen van de advocaat van Bleeker mr. Duijsens?.

  1.    Volgens Duijsens had Sweens paulianeus handelen vastgesteld. Volgens Groot had hij dit bestreden en is het nooit (in rechte) vastgesteld. Wat is uw conclusie?.
  2.   Groot stelt dat sprake is van een doorstart. Duijsens heeft het consequent over een sterfhuisconstructie, wat een veel negatiever klank heeft. Wat is uw mening dienaangaande?.
  3.   Volgens Duijsens heeft Groot een sterfhuisconstructie ingesteld en vervolgens het sterfhuis leeggeroofd. Heeft u dit ook op enigerlei wijze kunnen concluderen?
  4.   Zijn er juridische regels (of kaders)  die het organiseren van een doorstart, expliciet regelen?
  5.   Duijsens verwijst naar jurisprudentie. Groot beziet dit als onvergelijkbare zaken, wat is uw mening?.
  6.   Duijsens verwijs naar een vijftal wetsartikelen op pag. 19 alinea 26. van bijlage 4  Groot heeft de relevantie en het inhoudelijke verband niet kunnen ontdekken, wat is uw mening, onderbouwen die artikelen zijn stellingen?. (stellingen die overigens in hoofdzaak als verzonnen zijn te bemerken).
  7.   Is het wettelijk geregeld dat crediteuren toestemming moeten geven voor een z.g. sterfhuisconstructie?
  8.   Maakt het verschil of sprake is van een sterfhuisconstructie of duidelijk van een z.g. doorstart?.
  9.   Is dit vervat in duidelijke wetsartikelen, of jurisprudentie?.
  10.   Duijsens stelt ergens, dat de belangrijke crediteuren toestemming moeten geven; wat wordt verstaan onder een belangrijke crediteur?
  11.   De (vermeende) Bleeker vordering betrof ca, max. 15 % van het crediteuren totaal. Is dit een belangrijke crediteur?.
  12.   Kan een crediteur een doorstart tegenhouden als een ruime meerderheid voor is?.
  13.   Een doorstart wordt vaak middels een curator geregeld, heeft die ook toestemming van alle crediteuren nodig?.
  14.   Dient een crediteur zijn bezwaren te motiveren als hij een doorstart tegen wil houden. Sprake kan zijn van oneigenlijke, en subjectieve redenen.?
  15.   Is toestemming van (belangrijke) crediteuren ook nodig, van belang, en / of verplicht, als al vaststaat, dat (zoals bij Lico Teelt en Lico Export) geen enkele crediteur meer kan worden betaalt, dus dat vermeende belangen al niet meer bestaan?
  16.   Belangrijke vraag;  Acht u het redelijk en reëel dat Groot zogezegd; “Een ernstig verwijt is gemaakt” ?.
  17.   Duijsens stelt dat de curator Pauliana heeft vastgesteld. (volgens Groot alleen een beschuldiging). Kan dit een negatieve invloed hebben gehad op het procesverloop?
  18.   Is het tegenwoordig gebruikelijk dat stellingen van een eisende partij door hen niet behoeven te worden bewezen?
  19.  Dient nog immer van gedegen waarheidsvinding sprake te zijn, in rechtszaken?
  20.  Gesproken wordt over de vordering van Bleeker. Groot stelt dat die vordering in een rechtszaak werd bestreden. Kan men van een (vaststaande) vordering spreken als daarover nog niet door de rechter is beslist?
  21.   Ondersteund u de stelling dat Groot rekening met  de (nog niet toegekende) vordering van Bleeker moest houden, alleen omdat onbekend was wie er na pakweg 5 a 10 jaar de rechtszaak zou winnen?  (Dit afgezien het feit dat dit bij gebrek aan geld en mogelijkheden onmogelijk was).  

37.  Eindconclusies;   Kunt u algemene conclusies is een samenvatting verwerken met aandacht voor de hoofdzaken, aangaande pauliana, en het z.g. ernstige verwijt wat Groot is gemaakt.  Dit in ca.  een  A4.

Recta nos malum