1.3 De vriendendienst

De vriendendienst aangaande het proces verbaal door mr. H.A. van den Berg d.d. 14-05-2016.

Bewust doen we hierbij aan het z.g. naming en shaming, maar ook in andere stukken vinden we o.a.  zijn naam terug.  Als hij hier bezwaar tegen wil maken, en zijn eer (?) en goede naam(?)  aangetast acht, zal hij zelf toch aan moeten tonen dat onze beweringen onjuist zijn.  Onze beschuldigingen aan zijn adres zijn als navolgend;  Overduidelijk is dat zijn houding en omgang met curator Sweens een zeer vriendschappelijke was, en hij zaken als toezichthouder (R.C.) fiatteerde, die wij als louter leugen, bedrog, diefstal, misleiding en chantage benoemen. De bewering dat een R.C. te weinig tijd heeft voor gedegen toezicht, (waar wel iets van zal zijn) praat dit niet goed, en we hebben hem ook duidelijk aangeschreven, en gemotiveerd gesteld dat de beweringen en chantage van Sweens onjuist en buitengewoon onredelijk waren, waarop hij reageerde als dat hij zich achter de curator stelde, en we maar snel op zijn chantage in moesten gaan en zijn zak vullen. We mogen daar dus de stelling op baseren dat het vrij standaard is dat een curator zijn lusten op een failliet persoon bot gaat vieren, en als dit tot procedures leidt, wat zijn directe collega’s beoordelen, dat de gefailleerde in het ongelijk wordt gesteld. Dit dus meer in algemene zin ook aangaande toezicht en toezichthouders.  We beschrijven die zaken in meerdere documenten.

In dit geval werd er een op voorhand nutteloze verificatie vergadering opgezet,   waarbij naast deze R.C. en de curator alleen P. Groot aanwezig was. Het proces verbaal klopt voor geen kant, en blijkt alleen opgezet te zijn om Duijsens een voordeel te geven, en ons in een nadeel positie te brengen. Op zichzelf had dit onvoldoende kunnen zijn, noodzakelijk was dat in de geplande procedure, een collega rechter en teamgenoot, daar dan ook de gewenste betekenis aan zou geven die zeer discutabel is, en wat gemotiveerd ook ander beoordeeld had kunnen worden. Conclusie is dat het team niet alleen in naam maar ook in daad een team was, mogelijk ten goede maar zeker ook ten kwade..

Bij de interpretatie die men er steeds aan heeft willen geven wordt gesteld dat P. Groot de vordering van Bleeker tijdens die vergadering  heeft erkend. Dit staat niet in het proces verbaal.  Over wel of niet ontkennen staat niets, maar men is gaan stellen dat P. Groot volgens het proces verbaal de vordering ter vergadering niet heeft bestreden. P. Groot stelt dat hij dit wel degelijk heeft gedaan, maar dat die bestrijding, kennelijk opzettelijk, niet door deze R.C. is vastgelegd. Die bestrijding van Groot was ook zeer aannemelijk (en niet bestrijden volstrekt onaannemelijk) omdat Groot in alle omstandigheden de vordering heeft bestreden, binnen en buiten rechte, en er zelfs een rechtszaak tegen die vordering liep. Dit maakte het dus buitengewoon ongeloofwaardig dat er tot nu toe door alle rechters, een niet gestelde aanname zomaar uit de lucht werd gegrepen. Ook heeft iedere rechter die daar nader bij betrokken is geweest, kunnen zien dat het een vreemd proces verbaal was.

Het zou immers ook voor de hand hebben gelegen dat aan Groot de vraag was gesteld of hij de vordering wel of niet bestreed zoals Groot nota bene ook nog duidelijk in een brief had gesteld die de dag voor de vergadering was verzonden. Dat Groot de vordering een dag later dus wél zou hebben erkend  was dus buitengewoon onwaarschijnlijk, en daarbij zou Groot volgens het proces verbaal tijdens de gehele vergadering  geen woord hebben gezegd en zou hem ook geen enkele vraag zijn gesteld.  Iedere collega van deze vervalser had dus direct kunnen concluderen dat zaken niet klopten en dat alles er op leek dat het alleen opgezet was, om te voorkomen dat Duijsens inhoudelijk op de bewijzen van Groot in zou moeten gaan, dus bedoeld om Groot zijn recht te ontnemen. Op zich acht Groot (maar daar kan men van mening over verschillen) alle rechters die bij eerste beoordeling al konden zien dat zaken niet klopten, maar daar niet naar oordeelden (tot nu toe allemaal), in gelijke mate corrupt.

Alle zaken zoals hier gesteld zijn ingebracht in zittingen en genegeerd en ter zijde geschoven. Duidelijk mag zijn dat niet is vastgesteld, en dat dit ook onmogelijk is, wie er gelijk heeft, immers  Groot stelt dat hij de vordering heeft bestreden maar kan dit niet bewijzen, maar de R.C. kan ook niet bewijzen dat dit niet zo is.  In feite gaat men ervan uit dat hun collega gelijk heeft, enkel en alleen omdat hij tot de elite behoort en dat Groot ongelijk heeft, alleen  omdat hij tot het gepeupel wordt gerekend. Hun volstrekt onrealistische aanname (meer is het niet) berust er dus op dat men in feite grof discrimineert, terwijl iedere rechter behoort te weten dat artikel één van de grondwet dit verbied.

Daarbij zijn door dezelfde lieden (rechters) alle verzoeken om getuigen onder ede te horen, geweigerd (onrechtmatig).  Daarbij was er ter vergadering  geen griffier aanwezig maar wil men dit niet aannemen omdat men meent dat Groot aan Alzheimer leidt,  en is recent ontdekt dat de handtekening van de griffier zodanig van haar echte verschilt dat die kennelijk als vervalsing door v.d. Berg er onder is geplaatst, maar ook daar sluit men nog steeds de rijen en zijn nog steeds onderzoeken en getuigenverhoren geweigerd.  Alles wijst er hierbij op dat Curator Sweens en advocaat Duijsens handjeklap hebben gemaakt om te voorkomen dat Duijsens bewijs moest gaan leveren van zaken die hij verzon.  Sweens vroeg om hulp van vriend R.C. en verkreeg die, omdat die wist dat een rechter onaantastbaar was en zonder risico best een beetje corrupt kon zijn, waarbij is gebleken dat hij dit juist had ingeschat. Verder heeft Groot zaken aangaande het proces verbaal en de gehele gang van zaken in een apart document beschreven wat als document nr. 6 op deze site staat.

Recta nos malum